Zelfmoord plegen op Kerstnacht. Vic Chesnutt deed het. Op die manier wordt je dood tenminste herinnerd. Hij nam een overdosis spierontspanners. Verdween in een diepe coma. Stierf op Kerstdag. 15u lokale tijd. Was het hier toen 21u, 22u, of 23u? Het maakt allemaal niet uit. De harde realiteit is dat de wereld één van de bijzonderste singersongwriters van deze tijd verloor op Kerstdag. Hij nam eigenlijk al een paar maanden geleden afscheid, toen hij met ‘At the cut’ en ‘Skitter on take-off’ maar liefst 2 nieuwe cd’s na mekaar uitbracht. In ‘At the cut’ zat toen al zijn afscheidsbrief verborgen in de zelfmoordsong ‘Flirted with you all my life’. Zelfmoord met voorbedachte rade dus. Vic Chesnutt zou zijn plannen uitvoeren op 25 december 2009. En dat deed hij. Met succes. Het tragische einde van een tragisch leven. Op zijn 18de kreeg hij levenslang: een auto ongeluk zorgde er toen voor dat hij voorgoed in een rolstoel vastgebijteld zat. Hij maakte van zijn lot een deugd en werd singersongwriter. Ik ontdekte hem in november 1996 toen zijn vijfde cd ‘About to choke’ pas verschenen was. Een prachtplaat. Het mysterieuze ‘Threads’ werd mijn lievelingssong van de cd en bij uitbreiding één van mijn 10 lievelingssongs ooit. Ik wilde dit nummer op m’n blog zetten, maar vond geen live uitvoering ervan op YouTube. Ik maakte er dan zelf maar dit simpele filmpje bij. Als eerbetoon en laatste groet aan Vic Chesnutt en opdat de wereld eindelijk zou horen hoe bloedstollend mooi deze song is. Vele mensen, muziekliefhebbers vooral in dit geval, zullen deze zelfmoord alweer niet begrijpen. Maar ik begrijp Chesnutt zijn wanhoopsdaad maar al te goed. De verleiding om een overdosis lorazepam of paroxetine te pakken is in mijn donkerste momenten immers ook groot.
“I’m gonna need a miracle”, zei ik nog tegen mijn hond op de eerste dag van 2008. Een week later stierf mijn hond. Dat was niet echt het mirakel dat ik bedoelde. Haar dood maakte dat ik maandenlang doelloos door het leven doolde en strompelde. Nou ja, het leven… Is dat nog wel een leven, vroeg ik me dikwijls af, als je zodanig verankerd bent aan je situatie, waardoor je jezelf niet meer in het leven durft te gooien? Neil Young en mijn oude tot de naad versleten gitaar brachten redding in dat eerste kwartaal van 2008. Zijn LP's ‘Harvest’ en ‘After the gold rush’ zalfden mijn gemoed beter dan mijn medicatie. Beide platen reikten inspiratie aan waardoor ik in april alvast de moed vond om terug wat te bloggen. Ik schreef toen een eerste keer over mijn wekelijkse wandelingen langs ‘De Hellerust’; tot vandaag nog steeds een inspirerende plek waar ik iedere vrijdag- of zaterdagavond heen ga. De aantrekkingskracht tot dat eenzame, verlaten, vervallen huis wordt iedere week zelfs nog groter. Platen als ‘April’ van Sun Kil Moon en ‘Live March 2001’ van Sixteen Horsepower leerden me ondertussen mezelf haarscherp te analyseren en kregen daardoor een dieperliggende betekenis. Ik wist nu wat er aan de hand was met me, maar hoe kon ik ooit nog uit deze hel weg geraken? Ik vond zelfs niet eens de nooduitgang; laat staan de echte uitgang.
De avond van het duo concert van Elliott Murphy & Olivier Durand in de AB Club in mei zorgde vervolgens voor een zeer bizarre ervaring. Een ervaring die ik vandaag nog steeds moeilijk kan plaatsen en vatten. Het was ook de avond dat voetballer François Sterchele overleed na een ongeval. Iets zegt me dat dat concert en dat overlijden verband hielden met mekaar, maar hoe? Ooit wordt het me wellicht nog allemaal duidelijk, maar voorlopig herken ik ze nog niet goed genoeg; de signalen die ik doorgestuurd krijg. Die ervaring was in ieder geval de voorbode van wat er zich een week later zou afspelen toen madam en ik, alwéér na een bizar concert van Elliott Murphy in een spiegeltent in Kortrijk, terug naar huis reden en plots in de verte een uitslaande brand zagen. Vanwege die brand brandmerkte een plaatselijke reporter van Het Nieuwsblad me onterecht als ‘burgerjournalist’. Ik was en ben het daar eigenlijk totaal mee oneens. Zoals ik in die week reeds schreef: alles en iedereen had dààr en toén zijn betekenis. Het is niet toevallig dat ik die brand filmde en er vervolgens hier mijn gedachten over uitschreef, zoals het ook niet toevallig is dat de daders die brand moesten stichten. De betrokkenen werden allemaal gestuurd door Hogerhand. Maar waarom? Ik weet het antwoord vandaag nog altijd niet en zal ik het in dit leven nog te weten komen? Feit is dat de prachtplaat ‘Sunday at Devil Dirt’ van Isobel Campbell & Mark Lanegan er niet zomaar kwam, die Vrijdag voor De Brand. Sindsdien heet die plaat in mijn computerbestanden ‘Sunday at Devil Dirt, Galmaarden’. Isobel Campbell had ongetwijfeld een visioen over deze ramp. Anders zou ze nooit tot zo’n treffende plaat gekomen zijn. Nogmaals: de dingen gebeuren niet zomaar.
Zo ontdekte ik, nog in mei, ook niet zomaar Toogenblik in Haren; een oergezellige, warme folkclub waar de tijd lijkt stil te staan. Tot die vaststelling kwam ik niet na het hormonen opwekkende concert van de wulpse Tift Merritt, maar twee weken later, tijdens en na het concert van Caroline Herring & Cara Luft. Waarom geraakte ik overigens zo gefascineerd door het verhaal achter de song ‘Paper gown’ van Caroline Herring en waarom voel ik sindsdien de onweerstaanbare drang om ooit eens die onheilsplaats te gaan bezoeken? Juni stond verder in het teken van geboorte, wedergeboorte en de dood. Ook hiermee ontving ik sterke signalen, maar ik interpreteerde ze wellicht verkeerd. Of ik herkende ze domweg niet. Ik was in ieder geval bang toen. Bang om ermee om te gaan. Gelukkig kwam er in diezelfde periode het Godswonder in de vorm van Fleet Foxes. Ik hoorde d’engelen zingen, en hiermee was ik ervan overtuigd: het zou niet lang meer duren eer ik de Hemelpoort zou bereiken. God had me met Fleet Foxes immers zijn engelen gezonden om kalmte en rust te brengen in dat warhoofd van me. Fleet Foxes voelde aan als de allerlaatste plaat die ik ooit zou horen. Vandaag echter, voelt de plaat van Fleet Foxes aan alsof het de enige plaat is die er nog echt toe doet. Al de rest is bijzaak geworden. Ik besef vandaag dat ik in mijn leven eigenlijk alleen nog maar die ene plaat nodig heb. Het is de meest hemelse muziek die ik ooit gehoord heb, en die plaat heeft me ook gerust gesteld over het bestaan van een hemel na de dood én daardoor heeft ze wellicht zelfs mijn leven gered. Op een cruciaal moment dat mijn leven hoogdringend diénde gered te worden.
En toen kwam september. Het begin van het einde, maar het einde van wat? Van een einde om met een nieuw begin te starten? In september registreerde ik me op Facebook, hetgeen ik verkeerdelijk beschouwde als het instrument van de Duivel. In dat gezichtenboek ontwaarde ik algauw een zaligmakende blauwe nevel in de duisternis. Hoewel het een baken van rust leek, reageerde ik eerst verschrikt en afwachtend en ik besloot dat pure Nachtblauw zelfs te negeren. Maar negeerde ik het wel échtl? Toen dat mooie, gloedvolle Nachtblauw op een dag plots verdwenen was, ging ik er immers als een bezetene naar op zoek. En gelukkig, dat prachtige nachtblauwe licht was niet gedoofd. Het had alleen even nieuwe energie opgeladen. Nieuwe energie dat het even later voor een groot deel aan mij zou besteden. Ik raakte in de ban van dat hemelse Nachtblauw en sprak het enkele weken geleden aan, nadat ik eerst kracht en moed geput had uit dé meest zuiverende en intense Ervaring van mijn leven. Sinds mijn diepgaande gesprekken met dat hemelse Nachtblauw ben ik een ander mens geworden. Nee, dat moet zijn: dankzij dat hemelsmooie nachtblauwe licht ben ik terúg mens geworden. Sinds mijn kennismaking met dat oogverblindend mooie Nachtblauw ben ik het leven terug gaan omhelzen. Dat nachtblauwe lichtpuntje stelde me gerust, reikte me de hand en leidt me sindsdien uit dat verschrikkelijke duistere doolhof van mijn donkere gedachtengewelven en terug Het Leven in! Dat heerlijke Nachtblauw is niets minder dan mijn Redder en dus mijn Godin! Ik kan haar wel zoenen! Maar dat doe je niet met Godinnen. Godinnen behandel je immers met respect. Het mooie aan deze Godin is echter dat ze levensecht en dus bereikbaar is. Zelfs haar naam is mooi. Mirakels bestaan dan toch, after all. Het offer, de dood van mijn hond, om dat mirakel te krijgen was zwaar, maar uiteindelijk méér dan de moeite waard. Jij bent immers het Mirakel waar ik de hele tijd wanhopig naar op zoek was, mijn beste, lieve, oogverblindende Nachtblauwtje… Ik wil je bij deze van harte bedanken dat je er bent. Jij hebt in 2008 immers weer een mens gemaakt van mij. Kon ik ooit maar iets voor je terugdoen… Dit zegt in ieder geval veel, zoniet alles over jou:
Ik voel mijn rug niet meer, een driedubbele longontsteking kondigt zich aan en mijn voeten zijn nog steeds ijsklompen. Maar de onverwachte sneeuwpret van vandaag hier op de Bosberg was al deze ellende dubbel en dik waard. En maar goed ook dat we er van genoten hebben, want zonet reed een tractor de helling af om zout te strooien. Het was de bedoeling dat we vandaag naar Halle zouden rijden voor het jaarlijkse Sinterklaasfeest, georganiseerd door mijn madam haar werkgever. Maar door de hevige sneeuwval was het gewoon zelfmoord om je hier deze middag nog met de auto te verplaatsen. Mijn dochter was natuurlijk teleurgesteld dat ze de Sint niet zou zien, maar de barre, koude wind veranderde haar traantjes meteen in ijskegeltjes en de dikke sneeuwvlokken die voor heel wat sneeuwpret zorgden transformeerden haar betraande oogjes al gauw in glinsterende pretoogjes. Meer nog, de teleurstelling was helemaal vergeten en de blijdschap compleet toen Sinterklaas met enkele Zwarte Pieten tijdens de namiddag de helling kwam opgewandeld. Ayco haar dag kon niet meer stuk. Ze is nu 5 jaar, en het is de eerste keer in haar leven dat ze zich zo goed heeft kunnen amuseren in de sneeuw. Haar kaakjes gloeiden nog toen ik haar zonet in haar bedje stopte. Ik geniet nu nog wat na met het bekijken van de 863 foto‘s die ik vandaag genomen heb (waarvan hieronder een selectie), terwijl Mark Erelli op de achtergrond met het wondermooie ’Snowed in’ voor de treffende soundtrack bij de afgelopen dag zorgt.
The weatherman warned me Stay off the road tonight If you know what's best Mercury is falling There's a storm rolling in From the Midwest
He called for two feet of snow So I turned off my radio I'd heard enough I'm gonna drive all night To be snowed in with the woman I love
Forty miles an hour From Connecticut to Maine That's as fast as I can go Hazard lights flashing On the cars spinning out By the side of the road
You might think I'm crazy But if you ever met my baby You'd know why I'm out here in this stuff I'm gonna drive all night To be snowed in with the woman I love
When we wake up in the morning And they haven't cleared the streets And everyone is digging out after the storm Honey call in sick instead Climb back in bed I know a thing or two bound to keep us warm
I had a couple close calls White knuckles on the wheel And my nerves are frayed But she's gonna throw her arms around me Flash those baby blues And all my worries are just gonna melt away
Now I'm pulling in the drive I should be glad to be alive But she is all I'm thinking of You know I drove all night You know I drove all night You know I drove all night To be snowed in with the woman I love
Nee, ik ben nog niet dood. Integendeel zelfs. Ik voel me de laatste 3 weken levendiger dan de voorbije maanden en jaren samen, waardoor ik niet de behoefte voelde om te bloggen. En net nu ik in een nieuwe depressie dreigde weg te zinken, kwamen mijn oude, beste vriend, zijn “bevallige” vrouwtje en hun kleine lieve kapoen me vandaag vereren met een bezoek. Dat bezoek heeft me enorm deugd gedaan, want ik voel me er weer helemaal bovenop nu. Ik wil ze bij deze dan ook van harte bedanken voor hun hartverwarmende bezoek, maar tegelijk bied ik hen ook mijn excuses aan omdat ik ze vanwege mijn sociale fobie de voorbije jaren verwaarloosd had. Maar zoals gezegd, was ik de voorbije 3 weken actiever geweest dan de laatste 3 jaren samen. Ik ging zowaar naar 3 concerten, naar het jaarlijkse eetfestijn van de school, naar het verjaardagsfeestje van ons Anneke en ik leverde al enkele keren een bijdrage voor 'Het laatste uur' op Radio 1. Wellicht vergeet ik nu nog een activiteit. Ik ging bijvoorbeeld ook nog op een woensdagnamiddag samen met mijn dochter wandelen om herfstbladeren te rapen voor de school. Tijdens die activiteiten heb ik zelfs veel zinvolle gesprekken gehad met stuk voor stuk interessante mensen. Vorig jaar deze tijd lukte me dat allemaal niet meer. Ik kon zelfs geen gesprek meer voeren. Ik geraakte zelfs mijn trap niet meer af. Ik durfde zelfs mijn voordeur niet meer te openen wanneer de deurbel ging. Ik verstopte me achter mijn zetels of in de WC. Zo verlammend werkte mijn innerlijke angst. Toch ga ik niet te hoog van de toren blazen, want zoals gezegd stak de voorbije week een nieuwe depressie de kop op. Maar die werd vandaag dus abrupt de kop ingedrukt dankzij mijn oude, beste vriend. Hoe komt het toch dat wat me de voorbije jaren en zelfs de voorbije zomer niet lukte, vandaag en de voorbije 3 weken plots wél? Komt het door de rustgevende invloed van mijn vrienden de wolven en de kraaien die ik nu in de herfst dagelijks op de ons omliggende akkers uit mijn handen laat eten? Of voel ik me zo moegestreden tegen mijn angsten en paniekaanvallen dat het me de voorbije weken allemaal niet meer kon schelen? In ieder geval weet ik zeker dat de kalmerende cd ‘Faces in the rocks’ van Mariee Sioux een gunstige invloed heeft gehad op mijn gemoed. Dat meeslepende ‘Faces in the rocks’ is de enige cd die ik de voorbije 3 weken dagelijks meerdere malen beluisterd heb. Als in een mantra. Dankzij die cd kwam ik telkens in hogere, onbekende sferen terecht. Enkele dagen geleden kreeg ik dan enkele downloads met al even bezwerende muziek van diezelfde Mariee Sioux en haar bloedzuster Alela Diane doorgestuurd van een boeiend mens, die ik voordien enkel kende van het goddeauforum maar die ik vorige week maandag onverwachts ontmoette op het concert van HT Roberts in De Boerderij te Eine. Jammer voor die nieuwe plaat van HT Roberts, maar voorlopig blijf ik rust zoeken in de helende, spirituele kracht die uitgaat van de bedwelmende muziek en de betoverende stemmen van Mariee Sioux en Alela Diane. En Fleet Foxes. Meer muziek heb ik voorlopig niet nodig. Het is, samen met de American Recordings van Johnny Cash, de krachtigste en meest helende muziek die ik de laatste 10 jaar gehoord heb.
Ik ga nooit meer naar Brussel. Waarom wilde ik vandaag ook persé met mijn madam en dochter meegaan naar dat verschrikkelijke Brussel? Was ik compleet zot geworden? Had ik vanmorgen even een blackout? Welnee, dat was het allemaal niet. Ik kon gewoon niet weerstaan aan de lokroep van de platenwinkels Arlequin en The Collector. Ik had ze al zo lang niet meer gezien. Zouden ze nog bestaan? Vol goede moed en met een grote tas met daarin een ellenlange lijst met aan te kopen cd’s en LP’s stapte ik vanmorgen mee in de auto op weg naar metrostation ‘Ceria‘. Madam durft immers niet rijden in centrum Brussel en ik kan haar geen ongelijk geven. In centrum Brussel rijden is immers vragen om builen, blutsen en schaafwonden aan de wagen. Zoals men in hartje Brussel rijdt, rijdt men in de brousse ongetwijfeld ook. Iedereen doet er maar wat.
Maar goed, we waren dus op weg naar metrostation ‘Ceria‘. Tot daar was er geen enkel probleem. Ik voelde me tamelijk goed en op mijn gemak en wat slaperig. Dat laatste kwam door de 2,5 mg Temesta Expidet die ik uit alle voorzorgen genomen had. Ik daalde zelfs een tikkeltje arrogant en zelfverzekerd de trappen naar het metrostation af; iets wat me de vorige keren met veel moeite was gelukt. Groot was mijn verbazing toen ik zag dat er mooie, nieuwe metrostellen uit de andere richting kwamen aangereden. Ook voor onze neus stopte zo’n mooi, nog blinkend nieuw ding. Meteen na het instappen begon de ellende. Ik schrok me dood van de snelheid waarmee dat monster vertrok. Het monster leek nog niet op topsnelheid toen het al diende af te remmen voor het volgende metrostation ‘Het rad’. Omdat wij een 15tal metrohaltes dienden mee te rijden tot station ‘De Brouckere’ leek het de hele tijd alsof we op een rollercoaster met de hik zaten. Met als gevolg dat ik me bij ieder volgend metrostation almaar misselijker voelde worden. Mijn maaginhoud dreigde naar boven te komen, en hoewel het niet veel scheelde, kwam het er gelukkig niet van. De zware luchtdrukverplaatsing van dat brutale starten en stoppen had bovendien een serieuze invloed op mijn bloeddruk. Ik zweette als een paard en tegelijk rilde ik als een geslagen hond. Ik werd almaar angstiger en in mijn hoofd begon het te tollen. Ik verwenste mezelf al dat ik meegegaan was. Waarom was ik niet gewoon in mijn bed blijven liggen? Dat innerlijke geklaag en gezaag had echter geen zin; ik zat als een rat in de val besefte ik. Ik was dan ook blij dat we eindelijk arriveerden in het station ‘De Brouckere’.
Maar de opluchting duurde niet lang. In de Muntgalerij was het een drukte van jewelste waardoor ik in paniek sloeg en niet meer wist welke kant ik uit moest. Gelukkig was mijn madam bij me, en als een blindengeleidehond loodste ze mij én onze dochter naar de uitgang van de Muntgalerij. Alleen zou het me nooit gelukt zijn. Het Muntplein leek wel één enorme, zwarte mierennest van gehaaste mensen die uit alle kleinste hoeken leken te voorschijn te komen. Toen keek ik richting Nieuwstraat en dat had ik niet moeten doen. De Nieuwstraat leek wel één enorme trechter die miljoenen mensen uitspuwde. Ik blokkeerde compleet vanwege dat aanzicht. Ik raakte geen stap meer vooruit. Madam had het gezien, pakte mij bij haar ene arm en onze dochter bij haar andere, en zo strompelden we richting Anspachlaan. Daar was het iets rustiger waardoor ik eindelijk de ruimte kreeg om na te denken. Maar het enige waaraan ik kon denken was: “Ik moet hier weg! Onmiddellijk! Nu meteen!” Toch durfde ik deze woorden niet uit te spreken, want ik wist dat ik mijn madam daarmee zou kwetsen. Zij had zo uitgekeken naar dit dagje Brussel en dus hield ik me voorlopig nog sterk.
En toen bracht onze dochter op een onverwacht moment redding. Zij had in de verte het logo van de Quick herkend en ze begon te zagen dat ze honger had. In de Quick was het tamelijk rustig en we gingen in het rustigste hoekje zitten. Maar omdat ik zo verkrampt was van de zenuwen kreeg ik mijn Giant menu nauwelijks naar binnen. Gelukkig nam onze dochter uitgebreid de tijd om te genieten van haar kindermenu waardoor ik eindelijk de tijd vond om madam te durven zeggen dat ik hierna meteen weer naar de auto wilde, maar dat ik dat zeker niet alleen zou durven. De teleurstelling op haar gezicht sprak boekdelen en de tranen stonden in haar ogen, maar ze weigerde ze te laten rollen. Mijn madam is sinds mijn ziekte en de geboorte van onze dochter enorm sterk geworden. Toch kropte ze haar teleurstelling niet op en ze probeerde me zelfs op andere ideeën te brengen door te zeggen dat ze met me zou meegaan naar The Collector. Maar in mijn hoofd had ik mijn bezoek aan The Collector en de Arlequin al lang geannuleerd en ik wimpelde haar voorstel af. Ik zei haar dat ik wel een toegeving wilde doen door eerst nog met haar naar de AB ticketshop te gaan zodat ze haar tickets voor het concert van Elliott Murphy op 4 oktober kon kopen. Dan zou onze reis naar Brussel toch niet helemaal voor niks geweest zijn, opperde ik. Dat voorstel fleurde haar wat op, maar lang mocht dat niet duren.
Uitgerekend vandaag bleek de AB ticketshop een extra sluitingsdag te hebben ingelast. Totaal ontredderd en uit pure machteloosheid bleef madam aan de gesloten deuren als in een mantra herhalen dat die sluitingsdag niét op de website van de AB vermeld stond. Ikzelf verkocht nét geen trap aan die stomme klotedeuren. “Moest ik daarvoor die extra moeite doen gotverdoeme!”, riep ik in volle koleire. Enfin, niks aan te doen. Niks kon me er nu nog van weerhouden terug die vervloekte metro te nemen richting onze geparkeerde auto. Ook niet mijn madam haar ultieme poging door me te wijzen op het logo van The Collector toen we voorbij de Beurs kwamen: “Kijk Bol, ik zie de Collector. Zijt ge zeker dat ge niet eens wilt gaan kijken? Misschien maakt een bezoek u rustiger”. Ik weet niet eens meer of ik hierop gereageerd heb. Ik had immers nog slechts één doel voor ogen: zo snel mogelijk terug naar de auto en zo snel mogelijk terug naar huis. Wég uit dat vervloekte stinkende Brussel! Wég uit die verschrikkelijke drukte! Wég uit die krioelende, verstikkende, stinkende mensenmassa! Terug naar mijn Bosberg! Terug naar onze ranch! Maar om dat te bereiken moest ik eerst wel terug die vervloekte metro nemen. Ik onderging de marteling van de heenrit in Satans trein door de hellekrochten opnieuw, maar deze keer sterkte ik mezelf met de gedachte dat iedere volgende halte één stap dichter bij de vrijheid en de verlossing van mijn angst was.
In de auto werd er geen woord gezegd en zelfs onze dochter hield zich rustig. Ondertussen maakten mijn gedachten een overzicht van ons blitz bezoek aan Brussel. Hoe had ik het toch maar durven en kunnen denken dat ik Brussel goed zou doorstaan? Ach, ik wist hierop het antwoord wel. De goesting om favoriete platenwinkels te gaan bezoeken had het gewonnen van mijn angst. Allemaal de schuld van die rotmedicatie die ik neem, besefte ik. De medicatie helpt mij niet; integendeel! Mijn medicatie helpt de angst! De medicatie hult de angst in een dik mistgordijn, waardoor ik me niet meer zo bewust ben van de aanwezigheid van de angst. De angst loert en wacht geduldig af om vervolgens harder dan ooit toe te slaan op de momenten dat ik mezelf kwetsbaar opstel. En vandaag in de metro was zo’n moment. De angst sloeg onverbiddelijk toe en hield me in een wurggreep waaruit ik me nu nog steeds probeer los te wurmen. Hopelijk overleef ik deze nacht. Ik durf haast niet te gaan slapen. De angst zit na deze helse rotdag terug compleet verankerd in mijn hoofd. Geplande activiteiten voor de volgende dagen en weken, zoals bijvoorbeeld het concert van Elliott Murphy in Ieper volgende week dinsdag, zie ik niet meer zitten. Ik ben dan ook niet van plan mijn veilige ranch de eerstkomende weken te verlaten, tenzij voor mijn afspraken bij mijn psychiater en mijn psychologe. Toen we thuis arriveerden, zei ik dan ook met vastberaden stem tegen mijn madam: “Ik ga nooit meer naar dat vervloekte Brussel! Nooit! Ik val nog liever dood dan dat ik ooit nog één stap in dat rot Brussel zet!”
We waren nog maar net onze ranch binnen of de telefoon ging. De man van de fietsenwinkel in het dorp. Met de mededeling dat onze dochter haar verjaardagscadeau eindelijk gearriveerd was. En daarmee was de dag van onze dochter en mijn madam toch nog een beetje gered. Dankzij de K3 fiets.
De voorbije dag was een heuglijke dag. Onze dochter werd 5 jaar en dat werd samen met de meter, den bompa, de oma, enkele vriendjes, een grote verjaardagstaart, cola, fruitsap, water, chips, belegde broodjes, veel cadeautjes en spelletjes gevierd. Zelfs ik genoot er met volle teugen van, want ik heb samen met dat jong grut wel een uur lang een waterpistolengevecht gehouden. Het was een beetje een speciale verjaardag deze keer, want 13 juli 2003, haar geboortedatum, was ook een zondag en daardoor kon ik me het afgelopen weekend de details van de gebeurtenissen van exact 5 jaar geleden nog haarscherp voor de geest halen.
Het was dan ook een moeilijke bevalling geweest. Ons Ayco was al 14 dagen te laat en nét toen de gynaecoloog een keizersnede gepland had voor dinsdag 15 juli besloot onze kleine meid om op het laatste nippertje alsnog de natuurlijke uitgang te kiezen. Maar dat ging weliswaar moeizaam. ’s Zaterdagsavonds rond 20u kreeg madam eindelijk haar weeën, maar ze beviel pas ’s zondags om 15u14 na een zware, vermoeiende nacht. Om 3u ’s nachts schreeuwde mijn madam het uit van de pijn en smeekte ze haast om een epidurale verdoving. Hoewel ik doodop was, voelde ik toch de adrenaline op het moment van de bevalling door mijn lijf jagen. Bij ieder commando van de gynaecoloog greep ik vlugger dan de verpleging naar handdoeken en koude washandjes en ik hielp mijn madam als een bezetene tijdens het persen. Hoewel ik nooit een echte bergbeklimming in de Ronde van Frankrijk gereden heb, voelde dat moment wel aan als een bergbeklimming. En toen onze kleine meid dan uiteindelijk toch de uitgang gevonden had, heb ik de verbinding met haar moeder doorgeknipt. Het voelde aan als het belangrijkste dat ik ooit in mijn hele nutteloze, vervloekte leven gedaan heb. Mijn madam schonk haar het leven, maar ook ik schonk haar door het uitvoeren van deze daad het leven. Nadat ons dochtertje gewassen, gemeten en gewogen was, kreeg ik ze in mijn armen toegestopt waarop een zalig gevoel van geluk over mijn schouders neerdaalde. “Alles komt vanaf nu goed”, dacht ik nog bij mezelf.
Een moment van geluk dat niet lang mocht duren echter, want plots schoten de gynaecoloog en de verpleging in paniek. Mijn madam was letterlijk aan het leegbloeden. Daar zat ik dan in zak en as. Door het zien en het ruiken van al dat bloed in de verloskamer waande ik me eerder in een slachthuis. Het voelde ook zo surreëel. Ik zat daar met open mond stil en alles en iedereen rondom mij bewoog in sneltreinvaart. Een paar seconden voordien voelde ik me nog superman en plots zat ik aan mijn stoel genageld. Ik bibberde van angst terwijl de artsen er alles aan deden om mijn madam terug bij bewustzijn te brengen. Ik had me nooit eerder zo machteloos gevoeld. Ik wilde iets doen, maar ik kon niets doen omdat ik met ons pas geboren, hulpeloze dochtertje op de schoot zat, kijkend naar haar stervende moeder. Nog meer artsen verschenen in de verloskamer en na een half uur riep de gynaecoloog in een spontane blijdschap: “ Ze is erdoor! We hebben haar erdoor gehaald!”. Ik had me nog nooit voordien zo opgelucht en blij gevoeld bij zulke verlossende woorden. Want uiteraard spookten er de hele tijd negatieve gedachten door mijn idiote kop. Ik was woedend en angstig tegelijk. Woedend, omdat ik het oneerlijk vond dat wij altijd alle ongeluk van de wereld hadden. Angstig, omdat ik mijn madam niet wilde verliezen en omdat ik niet alleen met mijn dochtertje in de grote boze wereld wilde zijn. Na die verlossende woorden van de gynaecoloog heb ik gehuild als een klein kind. Ik huilde van geluk, omdat mijn madam toch bij ons zou blijven. Maar ik huilde ook de vermoeidheid en de doorstane emoties van de afgelopen uren weg. En daarbij verwenste ik mezelf. Wat een ezel was ik immers niet geweest het jaar voordien.
Na mijn ongeval in de Ardennen in maart 2002 zonk ik langzaam maar zeker in een zware depressie die zijn dieptepunt kende in oktober en begin november van datzelfde jaar. Toen kwam voor het eerste de gedachte in me op om zelfmoord te plegen. Mijn leven had immers totaal geen zin meer. Ik was mijn madam alleen maar tot last en ze verdiende beter, dacht ik. Op een zondagavond hoorde ik tijdens Duyster op stubru dan voor het eerst ’(That’s how you sing) Amazing grace’ van Low waarna ik meteen in een word document mijn afscheidsbrief schreef. Dat nummer van Low moest op mijn begrafenis gespeeld worden, schreef ik in de brief. Dat vervloekte word document kon ik enkele dagen later gelukkig voorgoed verwijderen. Mijn madam kondigde immers aan dat ze mogelijk zwanger was; een aankondiging waarop ik eerder verschrikt dan laaiend enthousiast reageerde. Logisch ook, want ik zat op dat moment met concrete zelfmoordplannen in mijn stomme kop en die aankondiging kwam totaal uit de lucht gevallen. We probeerden immers al zo lang zwanger te geraken en we hadden de hoop eigenlijk al lang opgegeven. Die aankondiging kwam dan ook aan als een verrassing uit het Niets en nét op het juiste moment. Toen ik enkele dagen later dan de bevestiging op het scherm bij de gynaecoloog kreeg dat madam werkelijk zwanger was, draaide ik een knop om in mijn stomme kop. Ik had plots weer een doel in mijn leven en mijn zelfmoordplannen werden ter plaatse bij het zien van nieuw leven in de buik van mijn madam definitief gewist. Ik leefde mee naar de bevalling toe en daardoor ging het steeds beter en beter met me. Ik had weliswaar nog altijd last van sociale fobie en hyperventilatie aanvallen, maar ik leerde er mee omgaan; ik plaatste me erboven. Ik voelde me zowaar sterker dan mijn demonen worden.
Tot mijn psychologe op een dag in oktober 2003, 3 maanden na de bevalling dus, voorstelde om definitief af te rekenen met het verleden. Ze was laaiend enthousiast over EMDR therapie; een soort van hypnose waarbij ‘het slachtoffer’ gedurende een aantal sessies telkens weer teruggevoerd wordt naar het moment van zijn ongeval en dus de bron van zijn angst. Ik geloofde erin en ik voelde me sterk genoeg om voor eens en altijd af te rekenen met die Vervloekte Dag. Mijn eerste EMDR sessie in november 2003 was weliswaar érg confronterend, maar ik had het goed doorstaan en ik voelde me nadien eigenlijk opgelucht en bevrijd. Hoewel ik ervoor open stond, was ik nadien toch verbaasd dat de psychiater inderdaad het moment voor, het moment zelf, en het moment na mijn ongeval had kunnen oproepen. En dus bleef ik een aantal weken na mekaar gaan. Maar na iedere volgende sessie voelde ik me steeds ellendiger worden. Door mijn ongeval telkens weer te herhalen en te herbeleven, herinnerde ik me steeds meer en meer details, hetgeen eigenlijk de bedoeling is van EMDR. De details zouden je immers moeten geruststellen. Bij mij had het echter een averechts effect. Ik ging me weer angstiger voelen en de angst nam het na iedere EMDR sessie steeds meer en meer over. Na 5 sessies ben ik gestopt. Ik moést stoppen, want na de laatste keer was ik “wakker” geschrokken doordat ik vaagweg de oorzaak van mijn val had gezien. Ik heb immers nooit de oorzaak van mijn val geweten. Struikelde ik over een steen, een boomwortel of een tak? Of gleed ik uit over de natte bladeren of de modder? Of had één van de vele wandelaars achter mij me bewust of onbewust een duw gegeven om me voorbij te gaan? Ik weet het tot vandaag nog altijd niet. En voor u het denkt: Mijn madam kan het niet geweest zijn, want die liep al vele meters voor mij uit. Misschien had ik de oorzaak geweten indien ik mijn zesde EMDR sessie toch nog gedaan had. Maar ik durfde niet meer. Ik werd zoals gezegd na iedere sessie angstiger en ellendiger. Op het einde van elke sessie braakte ik letterlijk mijn hele maaginhoud uit. Zo’n herbeleving is dan ook zowel fysiek als mentaal een uitputtingsslag. Ik baadde na iedere sessie in het zweet. Ik lieg niet; het is immers vastgelegd geweest op video, omdat ik daartoe de toestemming gegeven had aan de psychiater. EMDR therapie was toen, in 2003, immers nog een vrij nieuwe toepassing in ons land en men wilde het gedrag van de weinige patiënten vastleggen als studiemateriaal.
In ieder geval zat ik na het vele herbeleven van mijn val in mijn hoofd opnieuw aan die afgekraakte boom te bungelen. Ik hing opnieuw in de afgrond waar ik tijdens het jaar voordien bijna terug uitgekrabbeld was. Toch verweet ik het de psychiater noch mijn psychologe. Er moest immers iéts gedaan worden om me er terug helemaal bovenop te helpen. Ik had tenslotte een kind nu, en uit liefde voor mijn kind wilde ik alle mogelijkheden proberen om terug helemaal beter te worden. Deze goed bedoelende mensen verwijt ik dus niets. Het was het proberen waard. Mijn vader daarentegen. Uitgerekend mijn bloedeigen vader, die ik op dat moment nodig had, zou me enkele maanden later, tijdens de zomer van 2004, de genadeslag toedienen waardoor ik alsnog in de Semois zou belanden. Tenslotte kon ik mentaal nog altijd lager vallen. Ik bungelde immers aan een overhangende afgekraakte boom enkele meters boven de Semois. Uitgerekend mijn vader liet me in de steek. Maar mij niet alleen. Ook zijn hele familie, waaronder onze dochter, zijn petekind. Puur uit eigenbelang en egoïsme. Ik vergeef het hem nooit. Uitgerekend mijn vader zou mijn angsten en psychische gezondheid nog 1001 keer erger maken waardoor ik tijdens de jaren 2005 en 2006 de diepste krochten van de hel zou afdalen. Ik heb in die jaren dikwijls gedacht dat ik zou sterven. De paniekaanvallen volgden mekaar immers in ijl tempo op en ze werden ook erger, waardoor ik steeds meer ging verkrampen van de angst. Verstijving van de linkerarm, tintelingen in de voeten en een verzwaard gevoel rond de borstreek waren telkens het gevolg. Ik durfde niet meer naar buiten, omdat ik bang was op straat te zullen doodvallen. Ik durfde zelfs mijn eigen trap in huis op een normale manier niet meer af. Maar mijn vader heeft me niet kapot gekregen. Dankzij de levenslust en de liefde van mijn dochter en mijn madam krabbel ik sinds vorig jaar opnieuw beetje bij beetje uit de afgrond. Maar de tocht is lang en soms glijd ik nog wel eens uit, waardoor ik weer enkele meters dieper lig. Toch kom ik ooit weer boven, al moest ik vechten tot aan mijn dood. Ik reken na mijn dood wel met je af pa, als we mekaar terug zullen ontmoeten. In de hel.
(foto: RoenHetZwoen. Foto die ik nam wat verderop in mijn straat naar de top van de Bosberg toe tijdens een ochtendwandeling op maandag 15 oktober 2007 om 8u22. Het was de eerste barkoude nacht en ochtend van de herfst van 2007.)
Was het maar al herfst. Ja, zul je zeggen, het is nu buiten toch ook al herfst? Helaas, dat slechte weer is slechts schijn. Is het wel slecht weer vandaag? Het mag wat mij betreft nog wel wat frisser. Toch ben ik blij dat het tenminste niet verschrikkelijk heet is en er heerlijke frisse lucht is dankzij de regen. Maar de zomer is wel degelijk aanwezig. Iedereen is immers onrustig en meent van alles te moeten doen. Men meent de vakantie “nuttig” te moeten besteden door te tuinieren, fietsen, barbecuen, reizen, timmeren, boren, metselen, wandelen, voetballen, praten, zingen, fluiten, zeuren, dansen, springen, zwemmen, gamen, feesten, festivallen. Enzovoort. De bron van lawaai is onuitputtelijk. Omdat het zomer is. Dat zogenaamde slechte weer houdt de mensen niet tegen. Zelfs de natuur is onrustig en maakt veel te veel lawaai. Vroeger, toen ik nog gezond, jong, knap en intelligent was, bezondigde ik me ook aan hyperactiviteit gedurende de zomerperiode, maar nu heb ik een diep verlangen naar de kalmte en de rust en de ruimte van de herfst en de winter. De beklemmende lawaaihinder van de zomer maakt me gek en paralyseert me. Ik kan niet nadenken, niet lezen, niet naar muziek luisteren, niet schrijven. Ja, zul je alweer zeggen, muziek beluisteren zorgt toch ook voor lawaai? Dat is echter de kortzichtige gedachte van de gewone mens. In alle rust en eenzaamheid muziek beluisteren, zelfs al is het een LP van AC/DC, brengt immers stilte en kalmte en maakt me rustig. Nu ben ik echter de wanhoop nabij en zoek ik tevergeefs naar rust en ruimte in huis en omdat ik die niet vind, blijf ik ’s nachts veel te lang op. Veel te lang dan goed voor me is, want ik voel me ellendig. Wegens slaaptekort. Want natuurlijk is iedereen vroeg wakker, waardoor het lawaai van de helse activiteit al vroeg doorheen mijn slaap gonst en op mijn arme, moegetergde hoofd inbeukt. Een wandelingetje maken is geen optie, want nu kom ik veel te veel mensen tegen. Ik ben allergisch voor mensen. Ik voel dat ze me aanstaren en dat ze me willen aanspreken en dat maakt me onrustig en angstig. Ik heb geen behoefte aan nutteloze, overbodige gesprekken. Daarom verlang ik intens naar de desolaatheid van de herfst en de winter. Minder naar de winter, want na de winter komt die onvermijdelijke rotlente die de mensen uit hun huizen jaagt waardoor het lawaai begint aan te wakkeren. Maar in de herfst en de winter kan ik tenminste wel ongestoord gaan wandelen. Omdat dan de kans op ongewenste ontmoetingen met bekende of onbekende mensen minder groot tot onbestaande is. De herfst houdt iedereen immers binnen, want men is bang van de vroege, lange duisternis, the man in the long black coat, het gehuil van de boze wolven en het gekras van de kraaien. Ik hou van het gehuil van de wolven en het gekras van de kraaien. Ze bevestigen de doodse stilte van de herfst en de winter. Daarom hoor je de wolven en de kraaien nu niet. Zouden ze zich stil houden voor de zomerse hyperactiviteit? Of hoor je ze niet omdat hun gehuil en gekras overstemd wordt door het zomerse lawaai? Straks, als mist, duisternis, wind, kou en regen terug regeren, zullen ze wel terug uit hun schuilplaats komen om op de desolate velden uit mijn handen te eten. Ik kan haast niet wachten. Was het maar al herfst...
Steve Von Till - To the field LYRICS
The winds outside are change, Shadows move across the floor, chasing the light. When the leaves fall to the field, I'll know the wrong from yesterday. Sky turns sustaining night. We all watch the frost from the withered vines Of the Autumn host I'll pray. On my sustaining life, I will be as yew, with the grain.
Driven through a sea, The tides wash in to inspire The dawning moon of the mind. Flesh given way to the worlds in her eyes. The rain will no longer cease. Drowning gives meaning to breath. I come down to stake my claim. Runes in the clouds and blood on the bone.
Ik wil wég uit deze wrede wereld die de mijne niet is. Begrijp me niet verkeerd; ik wil geen zelfmoord plegen. Om zelfmoord te plegen is moed en durf vereist en gezien ik de grootste lafaard en schijtluis ben die er rondloopt, is zelfmoord geen optie. Nee, ik wil weg uit het beklemmende Vlaanderen. Het wordt me te druk en te agressief. Ik ben al dat oeverloze gezeik uit de zeiksmoelen van Yves Leterme & Co over B-H-V, een onafhankelijk Vlaanderen en andere onbenulligheden kotsbeu. Daarom wil ik hoogdringend mijn eigen wereld creëren. Niet in Second Life, want dat is maar zielig. Nee, ik ga een echte commune stichten, diep in de bossen van de Ardennen. Om me eindelijk te kunnen concentreren op de écht belangrijke zaken in het leven: de mooiste muziek, boeken, films, filosofie en vrije, losbandige seks. Gelijkgestemden als Sezaar, Guy, Martin en Mie zijn al dolenthousiast en smeedden al wilde plannen. Evy moet nog over de streep getrokken worden, maar dat mag, gezien de prachtige locatie die ik gevonden heb, geen probleem zijn. Ook Peerke en nog een paar anderen die ik nu stomweg vergeet (Cosmic Dancer! Joey!) zijn van harte welkom. We hebben vooral nog nood aan vrouwen. Om onze natuurlijke driften te bevredigen, want na momenten van filosoferen en bezinning moet de geest zich kunnen vrijmaken door ontlading en de beste manier daartoe is een dagelijkse, hevige orgie. Ik heb daarvoor de geschikte locatie gevonden. Niet dat ik daar lang heb moeten over nadenken; ik wist meteen waar het hoofdkwartier van mijn commune moest zijn. Bovendien is de locatie al van alle comfort en luxe voorzien en dus instapklaar. Alleen Sezaar zijn zwembad gaan we misschien nog moeten aanleggen, maar ook dat mag geen probleem zijn. Het gaat om de Abbaye de Cordemois, nabij Bouillon. Aan de overkant ligt de Tombeau du Géant. Rust, stilte, talloze ruisende bomen en de kronkelende Semois heersen er.
Madam en ik gingen er in het verleden dikwijls wandelen en iedere keer regende het. Op die momenten voelden we er ons alleen op de wereld. Een zalig gevoel. Op een keer dacht ik dat minstens één van ons er de dood zou vinden, maar we hadden geluk. We hadden op een hevige regendag een lange wandeling gepland van Rochehaut naar Bouillon en terug. Vanwege het verschrikkelijke noodweer dienden we echter onze wandeling in te korten en dus staken we nabij de Abbaye de Cordemois de Semois over om vervolgens de Tombeau du Géant over te steken. Het werd bijna ons graf. Aan de oevers van de Tombeau vonden we niet meteen een pad en dus zochten we op goed geluk zelf een pad naar boven. Maar de rotsige ondergrond was nat en glibberig waardoor ieder van ons wel eens om de 5 passen bijna weggleed in de steile afgrond. Uiteindelijk haalden we toch heelhuids de top, maar we beseften dat we veel geluk hadden gehad. Van de terugweg over de top naar Rochehaut herinner ik me niets meer, want ik zat de hele tijd nog met de daver op het lijf. En toch gingen we er nadien nog dikwijls terug. Het is dan ook het mooiste en het rustigste plekje van België. Daarom wil ik daar, in de Abbaye de Cordemois, mijn commune stichten.
Zoals je ziet, Sezaar, lijkt me er plaats genoeg om er ook alleen te kunnen zijn. En er lijkt me voldoende ruimte om er een zwembad aan te leggen, een whiskeybar, een schoonheidssalon en nog véél meer. Een bibliotheek is er al; dat is dus handig. Maar uit alle veiligheid zullen we die maar best aanvullen met onze eigen collecties. De religieuze cd’s gooien we de Semois in en vervangen we door onze eigen collecties. Jazeker Mie; uw hoogbejaarde Buena Vista Social Club is ook welkom, want dan kunnen we op hun erotiserende klanken naakt dansen in de regen en onder een regen van de sterren en de maan en onder een regen van gloeiende zonnestralen. Ik zal overigens wel koken, dat doe ik nu toch ook al. Martin heeft zich al aangeboden als afwasser. Daarnaast heeft hij er uiteraard alle ruimte en tijd om urenlange radioprogramma’s te maken. Guy moet voldoende zijn als afschrikmiddel tegen onbevoegden die het zouden wagen om de rust en de stilte op ons terrein te verstoren. Peerke kan er eindelijk in alle rust aan zijn boek werken. Mie en Evy mogen er gewoon Mie en Evy zijn en relaxeren en zich laten vertroetelen in het schoonheidssalon. Zo lang ze ons, de mannen, ‘s nachts maar vertroetelen. Wij garanderen hen alvast dat ze het zullen uitschreeuwen van genot!
Maar dat genot heeft uiteraard zijn prijs. Ik contacteerde vandaag daarom de huidige eigenaars van het pand en zij zijn bereid om de hele reutemeteut te verkopen. Uiteraard gaat het niet om een habbekrats. Daarom roep ik u op beste vrienden, mede communeleden om al uw nutteloze bezittingen (auto’s, meubels, computers, huizen, gronden, garages, vakantiewoningen, etc.) nu meteen te verkopen! De opbrengst hiervan stuur je in een aangetekend postpakket maar naar mij; ik handel die vervelende formaliteiten dan wel verder af. Je stuurt dat postpakket met het geld best naar RoenHetZwoen, De Vlaamse Appalachen; dan komt dat zeker wel terecht. Denk eraan: het is voor een goed doel; namelijk onze totale vrijheid! Afspraak binnenkort dus, in de Abbaye de Cordemois!
Straks plaats ik wel wat eigen foto’s. Nu ga ik slapen en dromen over onze nakende hitsige orgieën in de Abbaye de Cordemois.
Dank je Martin, met je reactie op mijn bericht van vannacht. Het deed me verder nadenken over The Rolling Stones. Zij sloegen de nagel al op de kop in de sixties op de LP ’Beggars banquet’ met 'Street fighting man' en eigenlijk is er sindsdien nog steeds niets veranderd. Zeker niet in Arm Vlaanderen. Wellicht kan je de songtekst ook toepassen op andere grondgebieden, maar daarover spreek ik me niet uit. Ik kan tenslotte alleen maar spreken over de plaats waar ik woon. Maar wellicht heeft Neil Young gelijk met zijn recente uitspraken waarin hij stelt dat muziek de wereld nooit veranderd heeft. Daarom onderstaande toepasselijke song vandaag. Ik heb in de lyrics voor de gelegenheid de plaatsnaam ‘London’ vervangen door ‘Flanders’. Waarmee ik dus niet wil zeggen dat Londen niet zou slapen, want ik weet het dus niet. Het is tenslotte al te lang geleden dat ik in Londen was. Maar de keer dat ik er wel was, in de vroege lente van 1993, vond ik Londen in ieder geval zéér levendig. Ik zag er toen overal huizenhoge affiches van het debuutalbum van een groepje dat hier pas maanden later, zij het op veel kleinere schaal, zou doorbreken. Ik ging toen op een nacht samen met vele honderden andere Londenaars naar het immense Tower Records om dat debuutalbum van Suede, want over dat groepje ging het, te kopen. Zoiets had ik voordien in Vlaanderen nog nooit meegemaakt: een platenwinkel die zijn deuren ’s nachts opende om de release van het debuutalbum van een nieuwe, veelbelovende groep te vieren. Nadien openden platenwinkels soms ook hier ’s nachts hun deuren. Voor de release van de plaat van een grote groep welteverstaan.. Maar tot een ware volksverhuizing als die keer in Londen heb ik het hier nooit weten komen. Daarvoor zijn wij Vlamingen te nuchter. Kunstenaars worden hier beschouwd als tweederangs of zelfs derderangs helden. Arbeiders zijn hier de helden. Werken komt hier op de eerste plaats. Daarom dat ongevaarlijke, hardwerkende idolen met een onbestaand Rock ’n roll gehalte als Born Crain en Udo hier de helden zijn. Daarom dat Vlamingen altijd gefrustreerd zullen blijven. Want in sleepy Flanders Town there’s just no place for a street fighting man.
LYRICS The Rolling Stones - Street Fighting Man
Everywhere I hear the sound of marching, charging feet, boy 'cause summer's here and the time is right for fighting in the street, boy But what can a poor boy do Except to sing for a rock 'n roll band 'cause in sleepy Flanders town There's just no place for a street fighting man No
Hey! think the time is right for a palace revolution But where I live the game to play is compromise solution Well, then what can a poor boy do Except to sing for a rock 'n roll band 'cause in sleepy Flanders town There's no place for a street fighting man No
Hey! said my name is called disturbance I'll shout and scream, I'll kill the king, I'll rail at all his servants Well, what can a poor boy do Except to sing for a rock 'n roll band 'cause in sleepy Flanders town There's no place for a street fighting man No
Begin dit jaar was ik een wrak. De dood van mijn hond had me erg aangegrepen. Mijn hond en ik waren immers de beste vrienden. We voelden mekaar perfect aan. Ik werd ziek van verdriet en tegelijk was ik woedend op niet nader genoemde nieuwe buren die mijn hond nooit hadden kunnen uitstaan. Ze stuurden zelfs op Nieuwjaarsdag 2007 de politie op ons af. Mijn misdaad: ik had een hond. En die blafte. De hele buurt heeft hier minstens één blaffende hond buiten rondlopen, maar uitgerekend mijn hond stoorde hen. Omdat onze tuin met hondenhok grenst aan hun voordeur. Kan ik er wat aan doen dat enkele onbekwame idioten de gronden hier destijds zo ingericht hebben en dat hun muren opgetrokken werden in karton? Ik had verdorie veel goesting om dat labiele geval na de dood van mijn hond eens goed de huid vol te schelden. Of beter nog: een fles champagne te schenken zodat ze die vlak in mijn gezicht kon ontkurken in plaats van achterbaks achter de muren van hun Paleis. Vroeger, voor mijn ongeval, zou ik me dat zeker niet gelaten hebben. Ik herinner me nog al te goed dat ik 10 jaar geleden toen we nog in ons huurhuis woonden een buurvrouw volkomen terecht de huid vol gescholden had. In die tijd was ik als een echte vurige Waal, met het hart op de tong. Dat had zo zijn voor- en zijn nadelen. Een tussenweg was er nooit. Maar nu, sinds mijn ongeval, krop ik alles op. Ook de bittere pil van de dood van mijn hond kropte ik op en dus kregen mijn buren hun welverdiende scheldtirade of fles champagne niet.
Die tegenstrijdige storm in mijn hoofd bezorgde me haast een hartstilstand of minstens een zenuwinzinking, die maandag begin dit jaar in de IKEA vestiging in Anderlecht. Ik werd er gek van de drukte, de massa, de miljoenen uitgestalde producten en toen ik eindelijk de uitgang naderde, durfde ik de kassa’s niet voorbij te gaan. Mijn madam kreeg het daarvan na een kwartier op de zenuwen, trok me bij de arm mee en met veel moeite zijn we uiteindelijk buiten geraakt. Ik geraakte echter niet tot aan de wagen die iets verderop geparkeerd stond. Madam diende de wagen voor te rijden. Na dat voorval heb ik weken aan een stuk mijn ranch niet verlaten. Nee, dat is niet juist. De volgende dag had ik een afspraak bij mijn psychiater en toen ik daar terug buiten waggelde ben ik alweer met veel moeite, leunend langs de gevels, terug tot aan de auto geraakt die slechts 10 meter verder geparkeerd stond. Ik dacht dat het ieder moment gedaan kon zijn met mij. Zo erg had ik het immers nog nooit gehad. Ik voelde het leven in mijn lichaam langzaam uitdoven. Een verschrikkelijk gevoel dat ik niemand toewens. Zelfs mijn ergste vijand niet. Het dieptepunt van het dal was nu in ieder geval wel bereikt. Zou ik de Boot instappen die me naar de Grote Overkant zou brengen of toch niet?
Ik moest in ieder geval weer tot rust zien te komen wilde ik de voorbije winter zien te overleven. Ik verwaarloosde daarvoor zelfs mijn blog. Ik zocht en vond rust bij een oude akoestische gitaar die hier al jaren lag te verkommeren. Urenlang heb ik op dat instrument de voorbije winter getokkeld. Ik beluisterde toen dagenlang ‘Harvest’ en ‘After the gold rush’ van Neil Young. De oude LP’s welteverstaan. Op de CD versie gaat de magie van die platen immers compleet verloren. Ik tokkelde de songs mee op mijn gitaar, half liggend op de sofa wegens versuft door medicatie. Zo moet John Frusciante zich destijds ook gevoeld hebben toen hij de songs voor zijn meesterwerk ’Niandra lades and usually just a t-shirt’ bedacht. Niet dat ik de juiste akkoorden speelde, overigens. Ik beroerde de snaren lukraak en de warmte van de klank die vrijkwam, had een kalmerend, bedwelmend effect op me. Ik heb de Boot dus niet genomen en langzaam maar zeker kroop ik opnieuw en voor de zoveelste keer uit het dal waar ik destijds die Vervloekte Zondag 24 Maart 2002 voor het eerst in tuimelde.
Maar misschien neem ik binnenkort De Boot alsnog. De nacht van 7 op 8 januari, de nacht dus voor het IKEA incident, had ik namelijk een verschrikkelijke nachtmerrie. Normaal onthoud ik nooit dromen, maar dit was zo akelig en angstaanjagend dat het me zelfs nu nog altijd niet loslaat. Ik had mezelf in mijn eigen doodskist zien liggen. Op mijn begrafenisplechtigheid waren niet veel aanwezigen. Vreemd genoeg herkende ik daar geen enkel gezicht. Ook de muziek die gespeeld werd herkende ik niet. En toen zag ik mijn grafzerk, maar ik kon mijn sterfdatum niet lezen. Ik liep naar mijn grafzerk toe, maar bij zowat iedere voetstap die ik zette, kwam ik een oude bekende tegen waarmee ik telkens een vreemd, merkwaardig gesprek begon dat voortborduurde op onbeëindigde gesprekken en discussies uit een ver verleden. Uiteindelijk bereikte ik dan toch mijn grafzerk en ik las: RoenHetZwoen, 15/01/1974 - 08/08/2008. Daarop schrok ik wakker en ik schreef toen meteen deze niets betekenende blogtekst. Puur om mezelf tot kalmte aan te manen.
Ondertussen is 080808 wel heel dichtbij gekomen en ik voel me stukken beter dan tijdens de voorbije winter. Niet goéd zoals ú zich goed voelt, dat nu ook weer niet. Het is niet dat ik vandaag het spontane wilde idee zal uitvoeren om morgen naar The Collector, mijn favoriete platenzaak in Brussel, te gaan. Of naar de Arlequin. Ik zou ze nochtans nog eens graag bezoeken, die winkeltjes. Maar de boze, drukke buitenwereld schrikt me nog altijd af. Dat mocht ik eergisteren nog maar eens merken toen ik naar de school van mijn dochter moest om er haar “rapport” af te halen. Nadien moest ik dan ook nog eens naar de dierenarts met ons nieuwe gezinslid. Een gezinslid dat er overigens niet zomaar gekomen is, besef ik. Zij is immers de verkondiger van mijn dood en zal me in de Boot leiden. Dat het een kat is, is symbolisch. Ik was in ieder geval doodop van die gesprekken en eigenlijk ben ik er nu nog altijd van aan het bekomen. En toch voel ik me relatief goed. Nauwelijks te vatten voor buitenstaanders; ik weet het, maar als ik mijn toestand nu vergelijk met mijn toestand begin dit jaar of tijdens de horrorjaren 2005 en 2006 heb ik nu weinig redenen tot klagen.
En toch vertelde mijn nachtmerrie me dat ik op 8 augustus e.k. zal sterven. Dromen zijn bedrog, maar zijn nachtmerries dat ook? Ik betwijfel het; temeer daar de songs op ’A grave is a grim horse’, de nieuwe cd van Steve Von Till me tijdens de allereerste beluistering vorige week wel heel bekend in de oren klonken. Van het troosteloze ’Valley of the moon’ ben ik er zelfs rotsvast van overtuigd dat ik het in mijn nachtmerrie hoorde. Begrafenismuziek is iets waar ik nooit eerder bij stil gestaan heb, maar ik besef dat ik dat nu misschien toch beter wél kan doen. De symptomen, de symbolen, de voortekenen en veel van mijn teksten van de voorbije maanden; alles wijst erop dat ik straks op 8 augustus zal overlijden. Ik moet zien dat mijn madam dan de passende soundtrack bij mijn dood heeft. Ik wil op mijn eigen begrafenis immers niét ‘Afscheid van een vriend’ of dergelijke onzin horen. Ook al zullen er dan weinige aanwezigen zijn. Nee schat, laat maar het hele aardedonkere, haast lugubere ‘A grave is grim horse’ van Steve Von Till horen; een cd waarop Steve Von Till nog diepere hellekrochten afdaalt dan Mark Lanegan destijds op ’Scraps at midnight’. Ik wil de aanwezigen met hetzelfde neerslachtige gevoel, dezelfde negatieve vibe dat deze cd uitstraalt opzadelen. Mijn begrafenis moet immers een onuitwisbare zwaarmoedige indruk nalaten. De aanwezigen zullen nadien voor de rest van hun leven huiveren voor hun hoe dan ook naderende eigen dood want de indringende stem van Steve Von Till laat je nooit meer los. Mijn begrafenis wordt dankzij Steve Von Till géén feest van herkenning zoals de meeste andere begrafenissen van tegenwoordig, waardoor ze tijdens de koffietafel alweer vergeten zijn. Reserveer daarom nu alvast uw plaatsen.
Ik was gisteravond jammer genoeg niet in Toogenblik voor het optreden van Chris Chameleon die er dit concertseizoen mocht afsluiten. Ik had echter een goeie geldige reden voor mijn afwezigheid: mijn madam is vorige donderdag meter geworden van Timo, het vierde kindje van onze allerbeste vrienden Sandra & Chris. Een grote eer voor mijn madam, en ik voel me ook best fier. Gisterenavond waren de meter en de peter toevallig samen op bezoek in het ziekenhuis en ik maakte van de gelegenheid gebruik om beiden samen met hun petekind te vereeuwigen op bovenstaande foto. Toen ik mijn madam in mijn schermpje zag stralen van geluk werd ik overmand door ontroering en in die gelukzalige roes dacht ik bij mezelf: these are better days baby.
Bruce Springsteen - Better days
Well my soul checked out missing as I sat listening To the hours and minutes tickin' away Yeah just sittin' around waitin' for my life to begin While it was all just slippin' away I'm tired of waitin' for tomorrow to come Or that train to come roarin' 'round the bend I got a new suit of clothes a pretty red rose And a woman I can call my friend
These are better days baby Yeah there's better days shining through These are better days baby Better days with a girl like you
Well I took a piss at fortune's sweet kiss It's like eatin' caviar and dirt It's sad funny ending to find yourself pretending A rich man in a poor man's shirt Now my ass was draggin' when from a passin' gypsy wagon Your heart like a diamond shone Tonight I'm layin' in your arms carvin' lucky charms Out of these hard luck bones
These are better days baby These are better days it's true These are better days There's better days shining through
Now a life of leisure and a pirate's treasure Don't make much for tragedy But it's a sad man my friend who's livin' in his own skin And can't stand the company Every fool's got a reason for feelin' sorry for himself And turning his heart to stone Tonight this fool's halfway to heaven and just a mile outta hell And I feel like I'm comin' home
These are better days baby There's better days shining through These are better days Better days with a girl like you
These are better days baby These are better days it's true These are better days Better days are shining through
Er was de laatste tijd heel wat aanleiding voor het schrijven van mijn vorige bericht. Maar dé kiem die me tot het vorige schrijven aanzette, was een paar weken geleden al gezaaid. Plots werd ik her en der met slachtoffers van een nieuwe, hevig oprukkende psychische stoornis geconfronteerd. Het Muziekmoeheid Syndroom (M.M.S. afgekort). Een stoornis die me verbaasde en triest maakte omdat vooral jonge mensen er schijnen onder te lijden. En tegelijkertijd verbaasde die stoornis me ook niét, omdat dat syndroom ooit eens moést toeslaan. Je voelde dat syndroom als het ware al enkele jaren aankomen. Maar toch. Was het ooit voorspeld geweest? Toen dat hoge woord een paar weken dan toch viel, kwam het in ieder geval hard aan. “Hoe is het begot mogelijk dat je al “muziekmoe“ kan zijn rond je twintigste? Toen ik 20 was genoot ik immers met volle teugen van muziek en viel ik van de ene muzikale verbazing in de andere.”, dacht ik in eerste instantie. Na die eerste spontane reactie bedacht ik me dat ik 20 was in 1994 en spookten termen als downloadtijdperk, myspace, oververzadiging van de muziekmarkt en memory almost full in mijn arme, vermoeide hoofd rond. Vooral dat laatste: “memory almost full”. Daarbij dacht ik natuurlijk aan de recentste plaat van Paul McCartney en diens uitleg over de titel, waardoor ik net als Sir Paul ook tot een aantal vragen kwam. Hoeveel informatie kan de harde schijf van een mens aan? Hoeveel gigabyte aan liedjes kan er op onze inwendige iPod? Wordt het daarom niet dringend tijd om een externe harde schijf aan onze hersenen te koppelen? Of wil er iemand alstublieft het licht uitdoen, op de delete knop drukken en onze harde schijf opnieuw formatteren zodat we met een schone lei kunnen herbeginnen? Krijgen we überhaupt nog een tweede kans nadat het muziekmoeheid syndroom in ons lijf is geslopen? Die tweede kans om opnieuw op natuurlijke wijze te leren genieten van muziek. Die tweede kans om opnieuw geraakt, meegesleept en verwonderd te worden door muziek.
Vanavond zag en hoorde ik mijn bijna 5 jarige dochter geraakt en meegesleept worden door muziek. Toen we met de auto naar haar grootouders (mijn schoonouders) reden, speelde de recente mixtape die ik voor madam had gemaakt. Het was tijdens het liedje ‘Out of our heads’ van Sheryl Crow dat mijn dochter plots spontaan begon mee te zingen in een soort broebel Engels telkens het vrolijke refrein voorbij kwam. “Ze doet dat iedere keer als dat liedje voorbijkomt“, vertrouwde madam me toe. Heerlijk vond ik dat. Ik genoot van mijn dochter haar spontane, natuurlijke reactie op de opgewekte muziek en joelde, tot groot jolijt of tot grote ergernis van madam (wat precies weet ik niet), samen met mijn dochter dat heerlijke refrein mee. Er is nog hoop, bedacht ik me achteraf. Hoop, om dat ellendige muziekmoeheid syndroom de wereld uit te helpen. Na het nummer van Sheryl Crow kwam het al even luchtige en eveneens tot meezingen uitnodigende ‘Ethylene’ van John Hiatt langs. Een song die ik inmiddels al tientallen keren gehoord heb, maar waarvan ik nog altijd even vrolijk en opgewekt word als toen in 1995 bij de eerste beluistering ervan. Gelukkig heb ik nog steeds geen last van het muziekmoeheid syndroom, bedacht ik me. Gelukkig ook, omdat ik met het post traumatisch stress syndroom (P.T.S.S.) al een syndroom heb. Eén syndroom is immers al meer dan genoeg, dankuwel. Voor het eerst in jaren voelde ik een zalige gemoedsrust op mijn vastgeroeste schouders neerdalen en ik zette de muziek nog wat harder. ‘Telephone road’ van Rodney Crowell begon. Kon het nog toepasselijker?
Rain came down in endless sheets of thunder Lightning bolts split pine trees down to the roots In the shadow of the Astrodome With a hurricane coming on strong We used to hit the streets and go swimming in our birthday suits
Skiing in a bar ditch behind a moped Thirteen stitches on the corner of a sardine can We were dirt poor Houston kids Our whole family living on the skids But we always had a nickel for the coming of the ice cream man
Mosquito truck blowing up DDT Barefoot heathens running wild and free Air raid buzzer at a noonday scream Living in a dream On Telephone Road
I used to love them cherry cokes down at the Princess drive-in the cheeseburgers taste so good I like to come untied There's a chinaberry tree I remember I used to climb in and out my window The night I left was on the day before my grandma died
Sawdust spread out on a dancehall floor Jukebox ripping at an all out roar Barmaid smiling at a ten-cent tip Living is a trip On Telephone Road
Magnolia Garden bandstand on the very front row Johnny Cash, Carl Perkins and The Killer putting on a show Six years old and just barely off my daddy's knee When those rockabilly rebels Sent the devil running right through me
Drive-in movie in the trunk of my car One-eyed sailor in an ice-house bar Split shine Charlie and ol' Peg-leg Bill dressed up fit to kill On Telephone Road
Barbeque and beer on ice A salty watermelon slice At the Little Taste of Paradise On Telephone Road
Ik beluisterde vandaag voor de zoveelste keer deze week de nieuwe cd ‘Same old man’ van John Hiatt en ‘East-West’ van The Butterfield Blues Band. Die laatste, een plaat uit 1966, is overigens een LP reissue op het Sundazed label uit 2001 en werd me onrechtstreeks warm aanbevolen door Martin Pulaski. Beide platen waren samen met ’Ode to Billy Joe’ van Bobbie Gentry en ’For Emma, forever ago’ van Bon Iver mijn aankopen van vorige vrijdag. Maar dat is hier nu niet belangrijk. Mijn overzicht van mijn aankopen voor het 2008-in-cd's collectief vul ik later wel eens aan. Belangrijker nu is dat ik maar blijf luisteren naar die platen van John Hiatt en The Butterfield Blues Band. Omdat ze me bij iedere nieuwe luisterbeurt blijven boeien en vooral blijven verwonderen. Ik beluister ze dan ook niet zomaar als achtergrondmuziek, want dat zou in deze beide gevallen zeer oneerbiedig zijn, maar bewust en aandachtig. Ik vergaap me aan de spetterende gitaarsolo’s en de diep groovende basklanken op ’East-West’ die als onaardse figuren uit mijn speakers rollen. Op ‘Same old man’ herken ik dan weer maar al te goed de vertrouwde John Hiatt signatuur. En dat bedoel ik niet in negatieve zin. Nee, ik vind het gemak waarmee John Hiatt nog altijd scherpe, gevatte teksten en schitterende melodieën blijft verzinnen ronduit verbluffend en verbazingwekkend. Bovendien geniet ik deze keer bij Hiatt ook van de mooie, warme gitaarklanken en dat was al geleden sinds zijn beste plaat ‘Crossing muddy waters’ uit 2000. Recensenten zullen over de nieuwe John Hiatt zeggen: “Hiatt by numbers”, maar ik ben dan ook, hoewel ik het mij in het verleden een paar keer waande, geen recensent. Ik ben een muziekgenieter. En deze week geniet ik met volle teugen en eindeloos als in een onophoudelijke chain gang van de nieuwe plaat van John Hiatt en de oude plaat van The Butterfield Blues Band. Ik voel me deze week de koning te rijk met die beide platen. Meer heb ik deze week dan ook niet nodig.
En zo gaat dat week in week uit. Iedere vrijdag koop ik me een aantal nieuwe recente platen en nieuwe oude platen en altijd zit er wel minstens eentje tussen die de soundtrack bij mijn hele volgende week zal zijn. Zo is het de laatste 20 jaar altijd geweest en zo lang er platen in fysieke vorm zullen verkrijgbaar zijn zal dat zo blijven doorgaan. Ik hoef geen platen op voorhand via één of andere illegale downloadblog of forum te beluisteren. Zo’n zielloze zoektocht is niet aan mij besteed. Die moderne vorm van muziekbeleving laat ik over aan de moderne muziekliefhebbers. Eigenlijk verbazen zij me enigszins in positieve zin: ze beweren immers dat ze zich miskopen besparen door platen goed en aandachtig op voorhand via het net te beluisteren en te beoordelen. Ongelooflijk vind ik dat; haast fenomenaal. Ik ben immers 24u op 24 thuis, heb een haast onbestaand sociaal leven en zelfs ik heb nét tijd genoeg om mijn aankopen van de vrijdag ervoor, gemiddeld een plaat of 5, grondig te beluisteren. Maar de moderne muziekliefhebber heeft blijkbaar dat zalige autistische trekje dat ie én ettelijke tientallen platen per week via het net kan beluisteren en beoordelen én ook nog zijn aankopen kan beluisteren. Die aankopen hoeft hij gelukkig niet meer te beoordelen; dat heeft ie al gedaan tijdens zijn vele voorbeluisteringen via het net. Pure tijdswinst dus. Waarom beluistert hij die aankopen nog eigelijk? Beter nog: waarom koopt hij die platen nog als hij ze toch al van binnen en van buiten kent? Toch niet om die arme sukkelaars van muzikanten te steunen zeker? Toch niet voor het fysieke genot van het artwork in het doosje zeker dat uiteindelijk alleen maar plaats in beslag neemt en een ideaal stofnest is? Of misschien hebben ze wel de unieke gave die het hen mogelijk maakt dat ze 2 of 3 of 5 of 10 of 20 of 100 platen tegelijk en allemaal even aandachtig kunnen beluisteren? In ieder geval: chapeau; ik ben stikjaloers en ik wou dat ik ook die vorm van autisme had.
Maar ach, als de moderne muziekconsumenten zich bij deze moderne vorm van muziekbeleving gelukkig voelen; het zij zo. Daar maak ik me gelukkig al een paar jaar niet meer druk over. De techniek is vandaag nu éénmaal wat ie is. Maar: ik mag het wel een armzalige manier van muziekbeleving vinden. Deze eigen mening daarover is ook mijn goed recht. Een mening die ik overigens deel met producer Joe Boyd, vernam ik deze week in Humo. Boyd vindt net als ik internet en MySpace “een vergiftigd geschenk waardoor alles te beschikbaar is”. En zo is het maar net. Ik weet perfect wat Boyd bedoelt met “een vergiftigd geschenk”: Iedereen lijkt vandaag alleen maar te zeuren over de muziek die hij beluistert. Hoe meer gigabytes muziek op de harde schijf, op een externe harde schijf of op een iPod, hoe harder het gezeur, lijkt de regel vandaag te zijn. Ik ben daarom gelukkig dat ik het einde van de jaren ‘70 en het begin van de jaren ‘80 nog bewust meegemaakt heb, toen “de mensen” nog gelukkig en blij waren met slechts 10 tot 50 platen in hun platenkast. Een platencollectie was toen nog waardevol bezit. En die enkeling in de buurt met een platenverzameling die de kaap van 100 exemplaren overschreed, werd bewonderd en gerespecteerd. Tegenwoordig kan je overigens maar beter 500 gigabyte of meer aan muziek op je computer hebben staan (waar niemand het ziet), want iemand met een buitenproportionele fysieke en dus zichtbare muziekverzameling wordt nu bekeken als iemand met een zware mentale afwijking. Ik schaam me dan ook haast voor mijn muziekverzameling die tentoon staat in de living. Men zadelt me zelfs middels bedenkelijke, haast afkeurende blikken met een schuldgevoel op. Je kan vandaag dan ook maar beter je muziekverzameling in een donkere vergeten hoek in huis verbergen, want voor je het weet stopt men je in een psychiatrische instelling daarvoor. Maar ik wijk af geloof ik. Ik had het erover dat mensen vroeger nog blij waren met hun 10 exemplaren tellende platenverzameling. Men had de liedjes op die platen al honderden keren beluisterd en gehoord, maar toch genoten de mensen zichtbaar met volle teugen bij iedere nieuwe beluistering. Men verwonderde zich zelfs na 3.869 beluisteringen van de gitaarintro van ‘Hey Joe’ van Jimi Hendrix of de oerriffs van ’(I can't get no) Satisfaction’ en ’Smoke on the water’ nog even erg als bij de allereerste beluistering ervan. Wat mij eindelijk bij het zwaartepunt van mijn hele verhaal brengt.
Verwondering, damesenheren! Verwondering; daar zou het altijd moeten om draaien bij muziekbeleving. Helaas draait vandaag alles rond de hipheidsfactor die je Last FM profiel weergeeft. Je street credibility als muziekkenner wordt bepaald door Last FM. Velen luisteren vandaag dan ook in functie van dat idiote profiel. Ik had vorig jaar Last FM welgeteld één week op mijn pc geïnstalleerd en ik kreeg het er al op de heupen van. Ik beluister al weinig tot geen muziek via de pc en door dat vervloekte onding moést ik wel muziek via de pc beluisteren om toch een beetje profiel aan te maken. Na een week gaf ik het op. Ik had door dat dat verwerpelijke onding mijn muziekbeleving stuurde en dat ik er geen controle meer over had. Weg met dat speelgoed van de duivel, dacht ik, en ik gooide Last FM van mijn pc. Ik voelde me meteen bevrijd en opgelucht. Ik vind het dan ook ongelooflijk dat vele miljoenen zich vandaag nog altijd laten sturen en (mis)leiden door die immens grote onwaarschijnlijke hoop gebakken lucht. Het leidt op den duur tot een persoonlijke crisis bij rechtgeaarde muziekliefhebbers zoals eerder deze week het geval was bij Peerke en Secretly Belgian. Voortdurend stellen ze zich de vraag of ze nog “mee” zijn. Dat is echter een onbelangrijke, onzinnige vraag. Muziek moet je raken en, belangrijker, verwonderen. De vraag die men zich moeten stellen is: “Kan de muziek die ik beluister me nog verwonderen, raken, in vervoering brengen?” Als het antwoord op die laatste vraag negatief is, dan scheelt er inderdaad wat aan de muziekbeleving van de persoon in kwestie. Op dat moment sta je als muziekliefhebber voor het dilemma: blijf ik voortdoen zoals ik bezig ben of ga ik me herbronnen? Is het belangrijker de muziek te bijven volgen en beluisteren die “mee” is en “hip” is of beluister ik in tegendeel de muziek die me een goed gevoel geeft, die me verwondert, die me keer op keer raakt, ook al is dan het gevolg voor mijn hipheidsfactor in mijn Last FM profiel nefast? Anders uitgedrukt: blijf ik kostbare tijd verknoeien aan muziek die weliswaar “mee” en “hip” is maar die me eigenlijk niet ligt of ga ik eindelijk eens de muziek beluisteren die ik eigenlijk wél mooi vind? “Mee” willen zijn is in ieder geval sowieso compleet zin- en nutteloos. Je wordt er alleen maar gek van op den duur. Als je alle hippe muziekwebzines en muziekblogs zou moeten geloven verschijnen er immers wekelijks tientallen essentiële meesterwerken en dat is onzin natuurlijk. Ook hier is het internet de grote boosdoener. Tegenwoordig lijkt iedereen zich immers singersongwriter te wanen waardoor iedereen zijn muzikale exploten met de rest van de wereld meent te moeten delen en ze op MySpace gooit. Elvis Costello sprak onlangs van een oververzadiging van de muziekmarkt. Elvis Costello is vanwege deze uitspraak een verlichte geest. Want inderdaad; door de huidige oververzadiging zien ook de zelfverklaarde muziekkenners van de talloze webzines het bos door de bomen niet meer en praten ze mekaar veiligheidshalve na. Je zou als recensent immers maar eens de enige zijn die een eigen afwijkende negatieve mening over deze of gene unaniem positief ontvangen hippe plaat durft te verkondigen. Dan kan je het wel schudden in het stompzinnige webzinewereldje. Voorgoed je street cred kwijt. Gevolg: identiteitscrisis, depressie, zelfmoord.
Zo ver heb ik het gelukkig niet laten komen. Ik besefte een aantal jaren geleden zelf dat ik verkeerd bezig was wat mijn muziekbeleving op dat moment betrof. Ik verbaasde me namelijk over mijn eigen onzin toen ik op het goddeauforum mijn eigen gebrekkig geformuleerde meningen op een avond zat na te lezen. Ik beluisterde toen ook nog hippe platen om nog enigszins “mee te zijn”, ook al wist ik toen al dat americana, altcountry, folk; rootsmuziek in het algemeen zeg maar, mijn ding waren (en nog steeds zijn). Gelukkig zag ik tijdig in dat het idioot was om platen te blijven kopen en beluisteren die me eigenlijk niet zo interesseerden, maar waar ik me wel persé een eigen mening wilde over vormen. Sindsdien koop ik nog altijd minsten evenveel platen als toen. Maar nu koop ik tenminste de platen die me wél interesseren. Jammer genoeg voor mijn hipheidsfactor zijn dat bijna allemaal stoffige, ouderwetse americana platen. Maar fuck it, het kan me totaal geen enkele ruk schelen of ik nog al dan niet “mee” ben. Ik koop en beluister vandaag de muziek waarvan ik uit ervaring weet dat die me interesseert en die me tijdens het beluisteren hopelijk zal verwonderen, raken en misschien zelfs een kick in de onderbuik zal geven. En deze week is dat het geval met de nieuwe John Hiatt cd ‘Same old man’ en de oude LP ‘East-West’ van The Butterfield Blues Band. Vandaag bestelde ik me mailsgewijs bij mijn platenboer overigens de vreselijk onhippe nieuwe platen ’All I intended to be’ van Emmylou Harris, ‘Not forgotten’ en ‘Gamblin’ house’ van Malcolm Holcombe, ‘Sweet something steady’ van Romi Mayes, ‘Fragile’ van Bo Ramsey, 'Man descending' van Justin Rutledge en ‘Blame it on gravity’ van Old 97’s. Slechts een kleine greep uit het huidige aanbod americana releases, maar je moét een selectie durven maken. Anders word je ook gek. Ik had keuze uit honderden recent verschenen rootsreleases. Probeer uit zo’n gigantisch recent aanbod maar eens “mee” te zijn. “Mee zijn” met een compleet onhip genre op zich is tegenwoordig al onmogelijk, laat staan dat je dan “mee” kunt zijn met het totaal onoverzichtelijke aanbod aan nieuwe releases in alle genres. Muzieknerds maken zich dan ook maar wat wijs dat ze “mee zijn”. Integendeel zelfs; ze zijn het spoor compleet bijster. Maar vooral en belangrijker: ze zijn de verwondering voor muziek kwijt. Ik vind dat een spijtige zaak. Toen ik pakweg 18 was, duikelde ik van de ene muzikale verwondering in de volgende middels de weinige platen die ik me toen kon permitteren. Ik bleef ze tientallen keren na mekaar draaien. Tegenwoordig wanen jongeren (en ouderen) zich rijk met hun 500 gigabyte al dan niet legale muziek, maar in werkelijkheid zijn ze armer dan ik. Ik, die slechts 5 platen per week koop en intensief beluister, voel me dan ook rijker dan hen. “Renew your faith in music” schreeuwt de hoessticker op de LP reissue van ‘East-West’ van The Butterfield Blues Band hen toe. Hopelijk hebben ze er oren naar.
Dankzij Secretly Belgian voel ik me al een paar dagen terug 15 jaar. Het jaar 1989 was dan ook een sleuteljaar in mijn muzieksmaak evolutie: ik mocht vanaf mijn 15de verjaardag (in januari) wekelijks beginnen uitgaan en mijn beste schoolvriend was een metalfreak. Een gevaarlijke combinatie, want we zopen ons iedere week te pletter tijdens de fuiven in zaal Elysee te Vlezenbeek. Ik hield het altijd bij gewone pintjes, maar S. wisselde ook af met zwaardere bieren en sterke drank. Daardoor belandde hij dikwijls later op de avond letterlijk in de goot om van daaruit de rioolput vol te kotsen. S. had het moeilijk met het leven en sprak dikwijls over zelfmoord; iets waarmee hij me dikwijls bang maakte. S. z’n grote frustratie was dat hij maar geen vriendinnetje kon krijgen, maar zijn imago, moeilijke karakter, mondige brutaliteit, klederdracht, occulte accessoires rond z’n hals en muzieksmaak beletten dat en maakten hem niet bepaald geliefd bij de meisjes. Ik kwam veel bij S. thuis en telkens z’n ouders weg gingen, zette hij pornofilms op. S. kon maar niet genoeg krijgen van blonde sletten die vaginaal, anaal, oraal of in alle mogelijk denkbare combinaties van dat alles genomen werden. Dankzij S. zag ik dus voor het eerst pornofilms. Thuis hadden we immers geen videorecorder, en dus moest ik me thuis tevreden stellen met het legendarische wekelijkse Veronica tv programma de Pin Up Club (met de brievenrubriek van Wendy Van Wanten!). Je zag er wel de lekkere kontjes, prachtige tieten en zelfs de mooi geschoren kutjes van de lekkerste moordgrieten, maar tot neuken kwam het jammer genoeg nooit in de Pin Up Club.
Voor nog meer blonde bimbo’s was ik aangewezen op MTV’s Headbanger’s Ball, waarin gelukkig ook veel glam (hair) metal aan bod kwam. De clips van de hair metal bands zaten immers vol hete wijven. De combinatie van de bloedhete sletjes in die clips met de opzwepende muziek en oerdomme teksten maakte dat ik en S. beiden van glam metal hielden. Ons lijflied was toen overigens ‘18 and life’ van Skid Row want we waanden ons beiden de stoere ‘Ricky’ uit de songtekst. Op ons 15de leek dat immers best cool: een moord plegen op je 18de en dan een levenslange gevangenisstraf uitzitten. Ach ja; op je 15de ben je nu éénmaal niet verstandiger. Dan ga je zelfs op een bepaald moment met een mes in mekaars arm kerven om dan een dure bloedeed te zweren en nog meer van dat soort idiote leukigheden. In ieder geval was ik de grootste hair metal freak van ons beiden, want S. was vooral een heavy metal freak. Ik wilde er net hetzelfde uitzien als Brett Michaels van Poison of Vince Neil van Motley Crue en liet daarvoor zelfs blonde “mesjen” in mijn lange haren trekken bij een kapster. Ik hoopte zo snel met een lekkere blonde del te kunnen neuken. In afwachting masturbeerde en kwijlde ik dan maar tijdens het bekijken en genieten van de wulpse wijfjes in onder andere deze clip en in deze fantastische clips:
Tof verslag op de blog van Josie over haar citytrip naar New York. New York is echter niks voor deze misantroop besef ik door dat verslag en de overweldigende foto’s. Voor mij liever een maandje of 6 (of langer) het uitgestrekte Niets en de oorverdovende Stilte van Ijsland, de Noordpool of één of ander godverlaten Zweeds boerengat alstublieft. Galmaarden wordt me al te druk. Hier voel ik me zelfs al constant bekeken. Kan ook aan mijn yeti looks liggen natuurlijk. Ik heb dringend nood aan een rustgevende massage voor mijn getormenteerde ziel en dus dompel ik me vanavond nog eens onder in het heilzame massagebad ’Heima’ van Sigur Ros want dat is alweer veel te lang geleden. Bedankt om me daaraan te herinneren, Josie.
Vanavond heb ik mijn maandelijkse afspraak bij de psychiater. De gedachtenstorm die door mijn arme hoofd raast, is niet meer te harden. Ik zou tegen de storm in willen brullen. Maar ik heb niet meer dat strijdlustige hart van vroeger. Waardoor ik mijn ooit zo stoere stem niet meer vind. Gisteravond zat ik urenlang naar de hoes van ‘The hungry saw’ van Tindersticks te staren. Waardoor de heimwee niet meer overgaat.
Daar rijdt z'n auto door de ochtend Hij toevallig aan het stuur Weet niet hoe hij daar terecht kwam Op dit ontiegelijk vroege uur
Vroeger was dat wel eens anders En dat doet nog altijd zeer Elke dag om kwart voor zeven Vastgelopen in't verkeer
Want al went hij steeds meer aan dit leven Hij voelt toch dat er iets niet klopt Het is zijn hart soms lijk het even Of het zomaar is gestopt
Een hart dat nie zo fel meer slaat Een stem die niet zo stoer meer praat Maar erger nog een heimwee die niet overgaat
En hij weet hij moet niet achterom zien Daarvoor heeft hij echt geen tijd Bovendien is dat gevaarlijk Nu hij met de auto rijdt
Maar ook voor zich ziet hij in z'n spiegels Enkel wat er niet meer is Als hij zelf al een zou weten Wat het is dat hij zo mist
Want al went hij steeds meer aan dit leven Hij voelt toch dat er iets niet klopt Het is zijn hart soms lijk het even Of het zomaar is gestopt
Een hart dat nie zo fel meer slaat Een stem die niet zo stoer meer praat Maar erger nog een heimwee die niet overgaat
Die niet overgaat, niet overgaat... Een hart dat nie zo fel meer slaat Een stem die niet zo stoer meer praat Maar erger nog een heimwee die niet overgaat
Vrijdagavond was ik bij Mong Blok in Pepingen op het verjaardagsfeestje van een collega van mijn madam. Voor u denkt: “het gaat zowaar beter met Roen!” Geen nood, ik ben nog altijd het ultieme toonbeeld van een asociale ramp. Na een uurtje vluchtte ik weg: naarmate er meer volk de gelagzaal binnenkwam, begon ik steeds harder te zweten. Ik verwachtte ieder moment een paniekaanval. Die is er gelukkig niet gekomen omdat we net op tijd weg waren. De muziek begon me immers ook serieus op de zenuwen te werken. Toen de DJ ’Sultans of swing’ van Dire Straits oplegde, voelde ik ik Bryan Adams al naderen. Ik kén immers dat soort marginale DJ’s. Ook van de gelukzalige, nostalgische roes waarin mijn madam haar collega’s verkeerden, begonnen mijn darmen spontaan te pruttelen, en toen de lolbroek van de collega’s zich niet meer kon bedwingen en de gevleugelde woorden “Da was vroeger nogal nekeer betere muziek in onzen tijd dan da gejengel van tegenwoordig” sprak, was dat hét startschot voor mij om weg te vluchten. Niet naar de wc, maar naar de auto. Om thuis eindelijk mijn vers aangekochte plaatjes te kunnen beluisteren. Worden die verrekte veertigers en vijftigers hun summer of ‘69 in het paradise by the dashboard lights dan nooit beu? Pas op, ook mijn generatie, de midden dertigers, is niet vrij van misplaatste nostalgie. De meeste van mijn leeftijdsgenoten zijn een tiental jaren geleden, toen ze aan hun carrière begonnen, ook afgehaakt bij Alanis Morissette en Live. Jazeker, ik had het destijds ook druk met m’n job, maar na een zware dagtaak had ik geen behoefte aan rust. Dan laadde ik mijn batterijen voor de volgende dag op met de nieuwste platen die ik tijdens mijn middagpauze gekocht had. Ik ging dan ook iedere middagpauze stoom aflaten in de Brusselse Fnac en de keren dat ik naar m’n bureau terugkeerde zonder minstens één nieuwe plaat waren eerder uitzonderlijk.
Dat Heilige Vuur; die onweerstaanbare drang om oude en nieuwe muziek te willen blijven ontdekken en kopen, is er vandaag op mijn 34ste nog steeds. Ik zie het me immers niet doen: dag in dag uit nog altijd de klassiekers van Portishead, Tindersticks, Pearl Jam of REM beluisteren. Als ik behoefte heb aan Portishead, Tindersticks, Pearl Jam of REM leg ik wel hun recentste werk op. ’Dummy’, ’Curtains’, ‘Ten’ en ‘Green’ behoren tot het nostalgievak. Jazeker, die platen zijn me nog altijd zeer genegen, maar ik heb ze vroeger, in hun tijd, genoeg gehoord. Ik kan ze als het ware in mijn hoofd afspelen als dat nodig is. De aanwezigheid van die platen in mijn collectie geeft me hoogstens een veilig gevoel; een houvast voor het geval de dementie definitief zou toeslaan zeg maar.
Bovendien valt er nog zoveel andere oude muziek te ontdekken. Er is immers méér dat ik niet heb dan wel in mijn collectie. Een platencollectie is dan ook nooit compleet. En ik word ook nog wekelijks verrast door de nieuwe muziek van nu. Muziek is de enige vriend die me nog nooit in de steek heeft gelaten. Dit weekend nog verrasten de nieuwe cd’s ’The age of the understatement’ van de jonge honden van The Last Shadow Puppets, ’The hungry saw’ van Tindersticks en ‘Tinderbox’ van veteraan Fred Eaglesmith me enorm. En door ’Third’ van Portishead werd ik zelfs compleet van m’n sokken geblazen. Toegegeven, zowel de jonge honden als de veteranen halen hun invloeden uit het muzikale verleden en het warme water wordt allang niet meer heruitgevonden. Maar dat hoeft voor mij ook niet. Zolang hedendaagse artiesten met hun inzichten en creativiteit een interessante meerwaarde injecteren in dat muzikale verleden en nieuwe, hemelse melodieën uit de lucht plukken, is het voor mij al goed. Dan kan de Summer of ‘69 me gestolen worden, en hoor ik liever de soundtrack bij de Summer of ‘08 die The Last Shadow Puppets op hun hemelbestormende cd ‘The age of the understatement’ bedacht hebben.
Nu donderdag zenden Studio Brussel en Radio 1 resp. de Album 100 en de Fab 50 uit. De strijdkreet “Da was nogal nekeer betere muziek vroeger in onzen tijd dan da gejengel van tegenwoordig!” zal dan weer uit menig keelgat loeien. Mij niet gelaten. Ik heb wel wat beters te doen donderdag. Dan ga ik met mijn dochter naar Plopsaland. En vrijdag ga ik naar de platenwinkel voor mijn exemplaren van ‘Sunday at devil dirt’, ‘Momofuku’, ‘Same old man’ en ‘Turbulence’; de nieuwe cd’s van resp. Isobel Campbell & Mark Lanegan, Elvis Costello, John Hiatt en The Seatsniffers. ‘Nevermind’ van Nirvana speel ik onderweg op mijn inwendige jukebox wel af.
Begin jaren ‘90 was, naast mijn madam, Chantal Pattyn mijn Godin. Zij presenteerde toen op Studio Brussel het populaire avondprogramma ‘Update’ en door haar schuld kwam ik nooit op tijd klaar met studeren. Over klaarkomen gesproken: als mijn madam weer eens geen goesting had in sex, of als ze die week net haar vodden had, dan gebeurde het wel eens dat ik op mijn bed lag te masturberen omdat Chantalleke met haar sexy stem mijn fantasie op hol bracht. Jammer genoeg fluisterde ze de mooie liedjes die ze aankondigde niet rechtstreeks in mijn oor, maar via de radiogolven. Maar goed, een puberhand was gauw gevuld in die tijd. De 17 jarigen van nu zien de blote tetten en de niets aan de verbeelding overlatende keiharde porno vandaag in close up tegen 300 per uur over het 22 inch scherm van hun pc floepen, terwijl wij het in die dagen moesten stellen met onze fantasie. Maar dit geheel terzijde. Belangrijker is dat Chantalleke me de meest opwindende nieuwe muziek leerde kennen uit die tijd: Nirvana, Buffalo Tom, Mazzy Star, The Smithereens, dEUS, Pavement, The Afghan Whigs, Green On Red en vele anderen hadden hun succes in Vlaanderen dan ook vooral te danken aan Chantal Pattyn. Maar Chantalleke bracht niet alleen de mannelijke luisteraars hun hoofd op hol. Ook de artiesten die voor een interview te gast waren in de studio wond ze moeiteloos rond haar vinger en dankzij haar kreeg Studio Brussel algauw zijn eigen 2 Meter Sessies: vele artiesten deden na een interview met Chantalleke spontaan unplugged en live hun ding en van de beste momenten van die sessies werden 2 cd’s uitgebracht. Op de eerste cd stond ene Elliott James Murphy die me jarenlang nooit was opgevallen tijdens het beluisteren van die cd. Ik zal hem zelfs jarenlang genegeerd hebben op die cd, omdat ik toen meestal enkel mijn favoriete tracks beluisterde op compilatie cd’s. Totdat ik Elliott Murphy maart 2000 voor het eerst zag optreden in de Vooruit. Tijdens zijn set meende ik me het nummer ‘Sicily’ te herinneren, maar ik wist niet meteen van waar of wat. Het was dan ook al jaren geleden dat ik die ‘Update live’ cd nog beluisterd had. Maanden later kwam ik er stoemelings achter toen ik mijn rek met compilatie cd’s aan het bekijken was. Sindsdien moet ik altijd denken aan Elliott Murphy (en meer bepaald het nummer ‘Sicily’), Chantal Pattyn en ‘Update’ als ik op een onbewaakt moment eens een nummer hoor van Madonna of als er weer eens een nieuwe Madonna cd verschijnt. En laat er nu vandaag met ‘Hard candy’ een nieuwe Madonna cd in de winkels liggen. Dankzij Madonna beluister ik vandaag weer die eerste ‘Update’ cd waarop, naast ‘Sicily’, ook met ’Silver buckles’ een ‘grapsong’ (zoals Frank 'De Mens' Vander Linden het noemt in de liner notes van het cd boekje) staat van Green On Red. Een door de groep ter plekke geïmproviseerde song over de schoenen van Chantal Pattyn. Naar het einde toe hoor je haar jonge, sexy stem van toen. Ik heb deze week nog geen sex gehad.
I was in Sicily reading Henry Miller You were in New York City you were getting thinner I was in discos I was listening to Madonna You were in sweat clothes looking like Jane Fonda One day I called you because I couldn't resist It cost me eighty bucks I don't think it was worth it This is the last thing I expected to be A broken hearted troubadour in sunny Sicily
The night was raining and my window was stuck My driver took the shore roads to avoid the heavy trucks While he was telling me about the Mafia I was thinking 'bout our wedding what the marriage done to you Feeling so lonely my esteem so low Find myself in Italy I'm singing in a disco This is the last thing I wanted to be A broken hearted troubadour in sunny Sicily
Looking out my window I see the stars above I'm closer to Tunisia than to anyone I love I've seen the ruins of the Romans and the Greeks Compared to my own empire they really look so neat Some say my songs are long and over complicated But they're very personal I say they're underrated This is the last thing I expected to be A broken hearted troubadour in sunny Sicily
“Hoe zie jij je toekomst Roen?” vraagt mijn psychologe me bij ieder bezoek weer. Ik antwoord steeds hetzelfde: “Ik zie geen toekomst meer; ik zie mezelf in deze toestand geen 40 worden”. Feit is dat ik het nog meen ook. Ik zou nochtans graag oud worden maar het dagelijkse gevecht tegen mijn innerlijke demonen is nauwelijks te harden. Een beest houdt dat niet vol; laat staan een mens. Eigelijk lever ik geen gevecht meer. Ik laat me overmeesteren door die kwelduivels en ik wacht geduldig af tot wanneer ze klaar zijn met hun lusten te botvieren in dat arme hoofd van me. Ik krijg er geen vat op, laat staan dat ik de controle kan overnemen. De Paroxetine en Lorazepam zijn hierbij onbetrouwbare wapens want ze weigeren dienst tijdens de moeilijkste momenten.
Gisteren nog dacht ik dat ik zou sterven. Ik voelde mezelf, zoals dat iedere dag wel op een onverwacht moment gebeurt, weer bloednerveus worden en dan duurt het niet lang eer de paniek toeslaat. De paniek slaat dan algauw om in angst. Angst om een hartstilstand te krijgen. Angst om een hersenbloeding te krijgen. Angst om geen lucht meer te krijgen. En in deze verschrikkelijke lentedagen is er haast geen lucht meer. Die ellendige lente ook, met zijn stuifmeel, klein ongedierte, genadeloze zon en verschrikkelijke hitte. Binnenkort wordt het nog erger met de zomer in aantocht. De Symbicort en de Xyzall zijn nu al nauwelijks aan te slepen. Dat alles maakt dat ik geen vrolijk mens meer ben.
Vroeger was ik nochtans een heel vrolijk mens. Té vrolijk wellicht. In die vette jaren kon het niet op. Ik liet zowel echte vrienden als zogenaamde vrienden mee profiteren van mijn weelde en luxe en ik organiseerde maandelijks wel minstens één schranspartij. En Roen was dan altijd de sfeer- en druktemaker. Sommige mensen kregen hoofdpijn van mijn talrijke, zowel echte als geforceerde bulderlachsalvo‘s. Mijn madam was daarvan misschien nog wel het grootste slachtoffer. Maar nu zijn er nog nauwelijks schranspartijen. Nu ik geen vrolijk mens meer ben, nodigt niemand van die zogenaamde vrienden me op hun beurt uit. Ik heb ze zelfs in geen jaren meer gezien. Ze zijn verdwenen in de mist van de tijd. Ook de echo van mijn bulderlach is verstomd. Niet dat ik ze nog wil zien, die zogenaamde vrienden van toen. Ik wil rust nu. Rust die ik vind op mijn ranch, maar ook bij de echte vrienden die me nemen zoals ik geworden ben en waar ik wel nog welkom ben.
Rust die ik ook vind in sommige muziek. Niet in alle muziek, want de meeste muziek die ik vroeger graag beluisterde, beluister ik niet meer. Ik word er zelfs nerveus van. Die muziek herinnert me aan betere tijden en daar word ik, hoewel het vrolijke muziek is, droevig van. Het is al erg genoeg dat de cd doosjes me confronteren met dat betere verleden. CD doosjes van Soul Asylum, Soundgarden, Pearl Jam, Alice In Chains, Therapy?, The Smashing Pumpkins, Metallica, Buffalo Tom, Pavement, Nirvana en zo vele anderen. Allemaal herbergen ze de vrolijke deuntjes waarvan ik hield, maar waarvan ik nu bloednerveus word als ik ze nog eens hoor. Ik heb de laatste jaren rust gevonden in andere muziek. Muziek die in de vakpers omschreven wordt als americana en altcountry. Het Amerikaanse levenslied zeg maar. Muziek en teksten waarvan je niet bepaald vrolijk wordt, maar die een gunstig effect hebben op mijn gemoedsrust. De doorleefde stem van Johnny Cash heeft me de laatste jaren al dikwijls rust bezorgd.
De laatste dagen vind ik rust in de bezwerende, dwingende, nerveuze stem van predikant David Eugene Edwards, want er is een nieuwe cd van zijn oude groep Sixteen Horsepower verschenen. Een live cd, opgenomen in maart 2001 in de AB nog wel zegt de site van de groep me. Informatie die niet op de sobere, prachtige hoes staat. De hoes vertelt me wel dat het paard op de cover Quin heet en dat het in de sneeuw staat. Ik beluisterde vroeger overigens ook al de platen van Sixteen Horsepower, maar ik heb er de ware pracht pas van ingezien na mijn ongeval. Want de muziek van Sixteen Horsepower is niet bedoeld voor vrolijke mensen. Vrolijke mensen worden nerveus van de zwartgallige, dreigende muziek van Sixteen Horsepower en zetten de platen na hoogstens 3 nummers af. Of ze luisteren ze uit, maar ze begrijpen ze niet. Ze laten dan ook niet toe dat de dwingende muziek tot in hun diepste vezels doordringt. Ze voelen de paardenkracht niet die in de muziek verscholen zit. Ook deze nieuwe liveplaat zal een taaie brok voor vrolijke mensen zijn. Ze zullen er onrustig van worden. Ze kunnen maar beter luisteren naar de nieuwe vrolijke plaatjes van The Last Shadow Puppets, Duffy, The Kooks, Soko, Tom Helsen, Milow, Hercules And Love Affair die de zorgenloze jongen Joris Vergeyle van Radio 1 hen iedere week aanprijst in zijn luchtige Radio 1 programma ’Vox’. Temeer omdat ’Live March 2001’ doordrongen is van ‘Secret South’; het meest zwartgallige, sinistere, dreigende album van Sixteen Horsepower. En mijn favoriete album van ze, maar dat is in deze niet belangrijk. Op ’Secret south’ pakken donkere wolken samen en de naderende storm wordt zelfs letterlijk aangekondigd in de song ’Splinters’. En toch word ik rustig van dat naderende onheil. De gedachte dat niets toeval is, maar alles bepaald wordt door het lot, want daarover gaat die song eigelijk, geeft me namelijk een zekere gemoedsrust. Ook al is dat lot sterven voor je veertigste. Tot zolang haal ik kracht uit ’Live March 2001’; dat nieuwe, onaards mooie album van Sixteen Horsepower.
Self sent a twister A tearin' after me Gonna bust my house to splinters An take all that's dear to me
You say you saw it comin' yeah But still you did not flee I was too weak I couldn't move Held by growth of a tree
An yes I fell upon that rock I did not die just badly broken An in time my healing it will come By the words that He has spoken Oh yeah I fell upon that rock
Who is it now that loves you Strait in the front door An crooked out the back What is it now you're a slave to On your knees out in your shack Oh yeah I fell upon that rock
He is beyond the shadow Of your doubt and mine He is no man's opinion He is truth divine
Self sent a twister A tearin' after me Done bust my house to splinters yeah An took all that's dear to me yeah Come on
Who is it now that loves you Strait in the front door An crooked out the back What is it now that you pray to As your world begins to crack Yeah, oh yeah I fell upon that rock Yeah
He's beyond the shadow Of your doubt and mine He is no man's opinion He is truth divine
An yes I fell upon that rock I did not die just badly broken An in time my healing came yeah By the words that He has spoken
Het is bijna niet te geloven dat ik deze maand precies 6 jaar noodgedwongen ‘huisman’ werd. Zoals de meeste lezers inmiddels wel zullen weten, kletterde ik einde maart 2002 met mijn klikken en klakken van een rotswand bijna de Semois in waardoor ik veroordeeld werd tot levenslange opsluiting in mijn Ranch. Met de lichamelijke gevolgen heb ik mettertijd leren leven, maar de ravage die dat ongeval in mijn hoofd aangericht heeft, is haast ondraaglijk. Laat staan dat het ooit te herstellen valt. Temeer omdat het lijkt alsof de tijd sinds mijn val is blijven stilstaan. In mijn hoofd is het nog altijd het jaar 2002, wat maakt dat ik me vele details van gebeurtenissen in mijn leven sinds het jaar 1991 nog haarscherp kan herinneren. Toeval of niet, maar dat jaar leerde ik mijn madam kennen. We hebben sindsdien dus zowat alles samen meegemaakt en als ik soms eens een anekdote heroprakel uit de beginjaren van onze relatie vind ik het soms frustrerend dat zij zich dat bewuste detail niet meer kan herinneren. Om maar te zeggen: er woedt sinds mijn ongeval een storm van nutteloze details in mijn hoofd en soms gebeurt het dat ik ‘s nachts de slaap niet kan vatten omdat ik lig door te denken op een niets betekenende gebeurtenis uit pakweg het jaar 1994. Ik heb dan ook het gevoel dat er op de dag van mijn ongeval een breuklijn in de tijd ontstaan is, die weliswaar parallel loopt met de rest van de wereld, waarin ik geïsoleerd zit zodat ik niet mee kan evolueren met mijn omgeving. Mijn psychiater en psychologe helpen me de uitgang te zoeken, maar zolang die donkere schaduwen uit het verleden in mijn hoofd blijven rondspoken zal ik nooit het licht aan het eind van de tunnel van het tijdsvacuüm waarin ik me bevind, vinden. Een delete toets in mijn hoofd zou dé oplossing zijn om dat vervelende verleden, of tenminste de vele zinloze details ervan, te kunnen uitwissen opdat ik weer zou kunnen mee evolueren met de rest van mijn omgeving.
Vreemd genoeg herken ik datzelfde onbehaaglijke gevoel zo nu en dan ook op platen waarop het lijkt alsof de tijd stil blijft staan terwijl je ze beluistert. Vorige vrijdagnacht was het nog eens van dat toen ik voor het eerst ’April’, het nieuwe, derde album van Sun Kil Moon beluisterde. Hoewel de cd speler aangeeft dat de plaat meer dan 70 minuten duurt, lijkt het eerder alsof de plaat 7 minuten duurt. Of daaromtrent. Dat komt doordat in het hoofd van Mark Kozelek de tijd ook is blijven stilstaan. In zijn hoofd is het continu herfst, meerbepaald de herfst van 1992 toen het eerste album van Red House Painters verscheen. Sindsdien probeert Kozelek ook de uitgang te vinden van het tijdsvacuüm waarin hij al 16 jaar ronddwaalt. Tevergeefs voorlopig, zoals meteen al mag blijken uit de bloedmooie openingstrack ‘Lost verses’ van het nieuwe Sun Kil Moon album ’April. Welkom in het getormenteerde hoofd van Mark Kozelek:
I came out from under her warm sheets Into the brisk late October If only for one last hope I wanted my time with you to be over
I’m staring up into the sky While all the rain is pouring down I’m reaching out for your help But evil beings hold me backwards
All shapes and shadows move in and out And hover round my bed Voices arrive and disappear I want to talk to them
Darkness disintegrates I’m rising, I’m rising toward a light A light leading over hills and meadows
I’ve risen up from the dead With the burning leaves of Autumn If only for one last chance That all of whom have been defeated To put on my father’s wool coat To smell my mother’s fragrances and perfume To find my young brothers and sisters To never leave or let them go
Houses adorned so beautifully The Marin headlands song Lost verses well up my eyes and ears The lone mandolin strums On Tamalpais warm Spring The many places we Lay down in sleepy hidden shadows
I see you well and clear Deep in the moonlight dear Your radiant August eyes They are the suns that rise They are the light that blinds They end these lost verses
I came up from under the ocean Evaporated sea salt water A mist above the skyline I haunt the streets of San Francisco Watch over loved ones and old friends I see them through their living room windows Shaken by fear and worries I want them to know how I love them so Foghorns would sound in waking Is it my voice you hear? Footsteps are moving across the floor And you know I’m here The afternoon carries up from the hills and you are well and near To fall into the light I follow
I feel you oh so near When morning doves appear And ghosts of April ring Echo the refrain Soon finding a place In these lost verses
They fill the foggy day They hide the hills away That steal our time They are the picturesque night The casting city lights On the bay flowing into the ocean glowing